Door Kees Kraaijeveld. Deze tekst verscheen in het Betoog van de Volkskrant op 8 oktober 2005.

Wat doe je met een volwassen vrouw die zegt dat ze uit eigen vrije wil besneden wil worden? Moet zij (antwoord A) de vrijheid hebben om dat te laten doen? Of druist (antwoord B) vrouwenbesnijdenis zo in tegen de hier in Nederland heersende visie op het goede leven dat ze tegengehouden moet worden?

Deze eerste vraag is eenvoudig te beantwoorden. De Nederlandse wetgever heeft namelijk gekozen voor antwoord B. Vrouwenbesnijdenis valt onder de opzettelijke mishandelingsdelicten en is verboden. De vrouw in kwestie wordt tegen zichzelf in bescherming genomen en mag dus niet kiezen voor een besnijdenis waarmee ze behalve zichzelf in principe niemand schaadt.

Een mondige middenklasse geïnteresseerd in vrijheid en een onderklasse op zoek naar zekerheid. Hoe beide te binden, is de opdracht van links, meent Dick Pels.

..meer..

Het debat over links-liberalisme wordt door GroenLinksers te simpel teruggebracht tot een tegenstelling tussen individu en gemeenschap, vindt Paul van Seters

..meer..

En hoe beoordeel je een moslimmeisje dat zegt er zelf voor te kiezen om op de openbare school een hoofddoek te dragen? Moet zij de vrijheid hebben om dat te doen? Of druist dat hoofddoekje, als religieus symbool, zo in tegen het openbare karakter van de school dat het verboden moet worden?
Hier botsen twee principes: enerzijds het liberale standpunt dat ieder individu de vrijheid heeft te dragen wat hij of zij wil. Aan de andere kant staan de morele oordelen. Wat vindt u? Wint de vrijheid of wint de moraal?
Iedereen wil vrijheid. Dit jaar is de term buitengemeen populair in de politiek. Het nieuwe beginselenmanifest van de VVD heet "Om de vrijheid”. Geert Wilders heeft zijn nieuwe boek “Kies voor vrijheid” genoemd.
Toch is en blijft het een omstreden ideaal. Want wat bedoelen we eigenlijk met vrijheid? Vrijheid waarvan? Vrijheid voor wie? En, als iedereen voor de vrijheid strijdt, wie mag zich dan de wáre voorvechter (m/v) van de vrijheid noemen?
Over deze vragen woedt momenteel in Nederland een `heuse politieke strijd', aldus Femke Halsema. GroenLinks en PvdA kunnen het niet hebben dat de vrijheid voornamelijk wordt uitgevent door `rechtse' liberalen. Socioloog Dick Pels deed hierom vorig jaar in zijn Progressief Manifest een oproep het liberalisme te redden uit de klauwen van rechts. Femke Halsema noemde daarop haar GroenLinks de `laatste links-liberale' partij.
Links én liberaal; een in Nederland schijnbaar onmogelijke liefde wint langzaam terrein. Onlangs was het opnieuw Dick Pels, die aan de wieg stond van het Waterland Manifest, een denktank van `links-liberale' denkers die poogt een nieuwe vrijheid uit te vinden.
Het is een even opmerkelijke als begrijpelijke stap. Enerzijds heeft de mislukking van de grote socialistische experimenten de theoretische basis onder het traditionele linkse collectivisme weggeslagen. Aan de andere kant worden ook GroenLinks en PvdA geconfronteerd met de individualisering en de versplintering van de collectieve belangen.
De samenleving verandert. Over de hele linie zoeken politici naar een nieuwe verhouding tussen gemeenschap en individu. Het wetenschappelijk bureau van de VVD stelde zichzelf tien jaar geleden al de opdracht om het gemeenschapsdenken in te bouwen in het liberale gedachtegoed. Links laat juist de collectieve arrangementen achter zich en omhelst de individuele vrijheid. De enige linkse partij die niets van liberalisme moet hebben is de SP.
Bij deze zoektocht naar nieuwe evenwichten tussen individu en gemeenschap kon het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks niet achterblijven. Directeur Bart Snels stelde een boek samen. Dick Pels schreef het eerste hoofdstuk, Femke Halsema het nawoord. Komende dinsdag zal dit werk, getiteld Vrijheid als ideaal worden gepresenteerd.
`Vrijheid als ideaal' is zeker een discussie waard. Maar uit de bundel blijkt dat de verhuizing van het liberalisme naar de linkerkant van het spectrum nog een heel gesleep wordt.
De denkbeelden van liberalen en socialisten over vrijheid lopen nogal uiteen. De liberalen hanteren van oudsher de eenvoudigste definitie. Ze vinden dat burgers hun eigen doelen moeten kunnen nastreven zonder bemoeienis van de overheid. De staat mag alleen ingrijpen als een burger een ander schade berokkent.
In de ogen van de liberaal is de mens een autonoom subject dat, mits met rust gelaten door de overheid, vrije, verantwoordelijke beslissingen neemt. Andere idealen, zoals gelijkheid of broederschap, zijn ondergeschikt. Het liberale adagium luidt: eerst vrijheid en dan de rest.
Voor socialisten ligt dat van oudsher anders. Ook bij hen is vrijheid van het individu in principe het hoogste doel. Maar alleen productieverhoudingen in de samenleving kunnen dat mogelijk maken: volgens socialisten zijn alle mensen (niet alleen de arbeiders. maar ook de kapitalisten) onderworpen aan het systeem, zowel in hun doen als in hun denken. Individu en gemeenschap zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Om werkelijk vrij te zijn moet eerst het systeem op de schop.
Uit deze typering blijkt dat een liberaal, individualistisch vrijheidsbegrip botst met het oude socialistische wereldbeeld. Wie de rechten van het individu boven die van de gemeenschap stelt, kan de gemeenschap niet meer voorop stellen.
Toch kiezen veel auteurs in de bundel voor het liberale, individualistische vrijheidsbegrip. Ze omhelzen de vrijheid om naar eigen inzicht je individuele leven in te richten. Maar dat botst al snel met linkse idealen, bijvoorbeeld de vrouwenemancipatie.

Baukje Prins vraagt zich af of links niet te ver is doorgeschoten op de lijn tussen moraal en vrijheid. De liberale aanspraak op de autonomie van vrouwen -`ze willen het nu eenmaal zelf' - mag voor de docent Sociale Filosofie in Groningen geen reden zijn om uitwassen als prostitutie en pornografie te gedogen.
Ook waar vrouwen onderdrukt worden met een beroep op cultuur of religie wil Prins kunnen ingrijpen: `In dergelijke gevallen verdient het meelevend wantrouwen van verlichtingsfundamentalisten als Hirsi Ali de voorkeur boven de het onvoorwaardelijk respect voor verschillen van de links-liberaal.'
Op een soortgelijke manier botst vrijheid niet milieuvoorschriften, met verplichte integratiecursussen en met iedere vorm van overheidssturing die mensen dwingt iets te doen in het collectief belang.
Maar veel GroenLinks-aanhangers willen af van het imago van sokken-van-ongebleekt-katoen. `Met pleidooien voor "consuminderen" hebben groene politici en denkers zich (...) in het verleden impopulair gemaakt', waarschuwt bijzonder hoogleraar Humanistiek Marcel Wissenburg in zijn bijdrage. Moralisme is taboe. Maar hierdoor dreigt het links-liberalisme wel erg vrijblijvend te worden.
Eigenlijk durft alleen Pieter Hilhorst, columnist van deze krant, dit fundamentele probleem écht bij de kladden te grijpen. Hij vindt de liberale vrijheid leeg en niet te verenigen met een linkse visie op het goede leven.
Hilhorst citeert de radicale Oostenrijks-Amerikaanse denker Frithjof Bergmann om te illustreren dat vrijheid verbonden is met identiteit. Vrij zijn betekent voor Bergmann een eigenzinnig, krachtig en levenslustig mens zijn. De verbintenis met anderen is hiervoor essentieel. Want alleen door de interactie met anderen kan de mens erachter komen wat hij of zij `werkelijk' wil. Bovendien biedt de ander houvast bij het stellen van grenzen.

Het liberale mensbeeld laat zich niet zo maar door links adopteren. Liberalen gaan ervan uit dat de vrijgelaten mens vanzelf sterk en verantwoordelijk wordt. Deze veronderstelling geldt misschien voor de rijke en hoogopgeleide achterban van GroenLinks zelf, maar het heeft weinig met de realiteit van doen. De meeste mensen zijn helemaal niet zelfstandig en mondig, maar veeleer onzeker en schuchter.
Een overheid die op basis van het individualistische mensbeeld de vrijheid wil organiseren, maakt slachtoffers. Het is alsof je een kind in het diepe gooit in de hoop dat het vanzelf zal leren zwemmen. Denkend dat het tijdperk van het vrije individu al daar is, loopt de linkse avant-garde te ver voor de kudde uit, net zoals de liberalen dat altijd hebben gedaan.
In de zoektocht naar een nieuw evenwicht tussen gemeenschapsdenkers en individualisten is `personalisme' misschien een geschiktere term dan `sociaal', `moreel' of 'links' individualismé. Personalisme verbindt gemeenschap en individu, uitgaande van de waarde van elk individueel persoon en de erkenning daarvan. Het ziet de mens niet los van zijn omgeving, zoals het individualisme. De verbintenis met anderen bepaalt wie je als persoon bent.
Pels noemt het personalisme een paar maal, maar associeert deze term vooral met het denken van de linkse PvdA-dominee Banning. Daardoor krijgt het personalisme het klassieke sausje van religiositeit en gemeenschapszin, dat geurt naar de spruitjes van gemeenschapsdenkers als premier Balkenende.
Waarom proberen de linkse denkers liet personalisme niet te redden uit die traditionele sfeer van bijbel en balkenbrij? Voor GroenLinks, dat zelf christelijke wortels heeft, zou dit toch geen probleem moeten zijn? Waar zijn ze bang voor? Gemeenschappen zijn niet meer zo gedragsbepalend als vroeger. Moderne burgers organiseren zich in `lichte, in vrijheid gekozen en vrijwillig onderhouden gemeenschappen', zoals Pels schrijft.
Voor het moderne personalisme komt vrijheid tot stand in interactie met anderen. Het is dus geen absolute maar een relatieve vrijheid, beperkt door de ruimte van de ander.
Dit brengt ons terug bij de moraal. Ik ben misschien een verstokt moralist, maar wat ik vooral mis in het links-liberalisme is een helder beeld van het goede leven, een concreet vormgegeven idealisme dat op bepaalde punten `nee' durft te zeggen tegen de gemakzuchtige liberale laissez-faire politiek.
Politiek is meer dan het organiseren van verschillen. Het is ook richting geven en mensen wijzen op hun plicht tot zelfbeperking. Het personalisme, met haar nadruk op de persoonlijke verhouding tot de ander, biedt hiervoor een solide morele basis. Meer dan ooit hebben onze woorden, onze gedragingen en onze consumptieve bestedingen directe impact op het leven van de ander. Een politieke partij die zich GroenLinks noemt, moet het aandurven om in gesprek met de burger een appèl te doen op diens vermogen tot zelfbeperking.
En wat doen we met het hoofddoekje van dat moslimmeisje? Pieter Hilhorst, uit wiens bijdrage ik dit tweede voorbeeld gepikt heb, komt met een voorbeeldige en puur personalistische oplossing. Hij gaat het gesprek aan: `Als die hoofddoek uitdraagt wie je wil zijn, moet je de vrijheid hebben om die te dragen. Maar is dit wel de identiteit die je uit wilt dragen? Schik je je zo niet in een rol voor de vrouw die je niet past?' Dit soort vragen, persoonlijk, kritisch maar ook respectvol, moeten we aan iedereen durven stellen.

Dick Pels in de Volkskrant van 13 oktober 2005

Links moet zoeken naar balans tussen soorten gelijkheid

Te weinig ervan hebben, is niet goed, maar te veel is nog slechter. Dat is de intrigerende paradox van de zekerheid en de onzekerheid. Een gebrek aan bestaanszekerheid is verwarrend, beangstigend, zorgwekkend en vernederend. Een gebrek aan zelfvertrouwen, erkenning en identiteit maakt mensen bang, en doet hen verlangen naar de vastigheid van een geloof of een ideologie. Maar andersom maakt een teveel aan comfort mensen lui gemakzuchtig, en kan onzekerheid een prikkel zijn om op avontuur te gaan en jezelf opnieuw uit te vinden. Zelfverzekerde mensen kunnen meer onzekerheid verdragen, zoeken de uitdaging zelfs op, en scheppen er plezier in om risico's te nemen en hun grenzen te verleggen.
De paradox is dus dat er een hoog niveau van sociale zekerheid nodig is om iedereen in staat te stellen de fundamentele onzekerheden van de moderne risicomaatschappij op een positieve manier te omarmen.
Dit zou de kern kunnen zijn van een breed sociaal-progressief programma: aan iedereen moeten zodanige materiŽle bestaanszekerheden worden gegund, dat men op basis daarvan in staat is een grotere culturele onzekerheid `uit te houden' en zelfs te verwelkomen. FinanciŽle en baanzekerheid, en toegang tot onderwijs en cultuur bieden mensen de middelen en de geestelijke ruimte om te experimenteren, flexibeler te worden, verschillen op te zoeken en te waarderen, en te ontsnappen aan gevestigde denkbeelden en de macht der gewoonte.
Dat is precies het omgekeerde van wat politiek rechts bepleit en wat de zittende regering doet. Het kabinet schept materiŽle onzekerheid en compenseert deze via de suggestie van culturele en morele zekerheid. Het stelt de burgers bloot aan tal van nieuwe risico's, voor een deel als onbedoeld gevolg van overspannen maakbaarheidspretenties (zie de scoringsdrift met het nieuwe zorgstelsel), voor een deel bewust en doelgericht. Vanuit haar ideologie van `eigen verantwoordelijkheid' zijn de onzekerheden die voortvloeien uit de sanering van de verzorgingsstaat en de marktwerking juist prikkelend. Mensen komen weer in beweging, gaan een baan zoeken, gaan iets van zichzelf maken in plaats van te blijven vegeteren in een uitkering. Aan de andere kant zoekt het kabinet naar houvast en binding op het gebied van normen en waarden, een `leidende' cultuur en een nationale identiteit.
Dus juist op het punt waar het mensen zou moeten leren meer verschillen te verdragen en te waarderen, biedt het valse zekerheden; juist waar het zekerheid zou moeten scheppen, maakt het de burgers bang.

Bovendien lijdt dit kabinet aan een vorm van betweterij die het `zeker weten' en de angst voor kritiek tot een politieke stijlfiguur heeft verheven. Minister Donner was onlangs opnieuw in het nieuws vanwege zijn krampachtige ontkenningen in de zaak-Nienke Kleis, en zijn onvermogen of onwil om toe te geven dat er, in plaats van incidenten, sprake was van structurele fouten in het justitieel apparaat.
Ook bij ministers als Remkes, Hogervorst en Verdonk is het onvermogen om te luisteren, kritiek te incasseren en fouten toe te geven geen incident, maar een structureel kenmerk van hun persoonlijke en politieke uitstraling. De ministers Bot en Pechtold moesten diep buigen voor het centralisme dat het ventileren van afwijkende meningen in het kabinet resoluut de kop indrukt.
Wat betreft stijl zou links hiertegenover een ontspannen politiek moeten voeren, die niet opnieuw vervalt in betweterij, maar die soepel omgaat met meningsverschillen en zijn eigen maakbaarheidspretenties relativeert. Wat de inhoud betreft zou dit een politiek van sociaal-economische zekerheid moeten zijn die (meer) mensen in staat stelt en ertoe verleidt in culturele onzekerheid te leven. Op de grondslag van een hoog niveau van collectieve voorzieningen zou juist de openheid voor het andere, de betwistbaarheid van onze basiswaarden en de zwakheid van onze nationale identiteit kunnen worden gevierd. De sociale en materiŽle gelijkheid zou op die manier bijdragen aan de ontplooiing van culturele ongelijkheid en verschil.
Deze dialectiek is van groot belang voor het dilemma waarmee vooral de PvdA worstelt. In alle Europese landen staat de sociaaldemocratie voor de vraag hoe zij zowel de winnaars als de verliezers van de modernisering voor haar boodschap kan blijven interesseren. De oude arbeidersklasse bestaat niet meer. Het merendeel heeft zich omhooggewerkt naar de nieuwe middenklasse, terwijl de rest is afgedaald naar een onderklasse die ook steeds sterker is verkleurd.
Een hoogopgeleide en mondige middenklasse, die geïnteresseerd is in keuzevrijheid en de bijbehorende onzekerheden aankan en actief opzoekt, staat tegenover een laagopgeleide, zich miskend en bedreigd voelende onderklasse die juist op zoek is naar zekerheid en bescherming - en die vaak vindt in de simpele waarheden van rechtse populisten of radicale islamieten.
PvdA-leider Bos gaat ervan uit dat die twee achterbannen qua positie en ambities zó sterk uiteenlopen, dat er misschien een verschillend verhaal aan beide moet worden verteld. Het is volgens hem niet langer zinvol te zoeken naar een allesverklarend concept waarmee je voor iedereen een boodschap hebt.
In elk geval vindt hij het verkeerd met het traditionele gelijkheidsconcept alle doelgroepen van de sociaal-democratie te willen blijven bedienen. De sociaal-democratie is volgens hem te soft geweest met het bieden van echte zekerheid en bescherming voor mensen die dat hard nodig hebben; maar zij is tegelijkertijd te behoudend geweest met het geven van ruimte voor het maken van eigen keuzen aan de mensen die dat aankunnen.
Maar juist de dialectiek van zekerheid en onzekerheid maakt het mogelijk van die `dubbele boodschap' een verhaal te maken. Bos nam hier zelf tijdens de Algemene Beschouwingen al een voorschot op. Juist nu verwachten mensen (en niet alleen de sociaal zwakkeren en achterblijvers) van de overheid een boodschap van bescherming en zekerheid, omdat dit de enige manier is om ze te motiveren risico te nemen, bijvoorbeeld te accepteren dat een baan voor het leven niet meer bestaat. `Dan helpt het niet als de overheid vooral de boodschap heeft dat je voor jezelf moet zorgen. Als u flexibiliteit van mensen vraagt, moet u ze zekerheid bieden. U vraagt flexibiliteit en biedt onzekerheid.'
Aan de verliezers van de modernisering moet dus sociale bescherming worden geboden, zodat ze de risico's van het moderne bestaan kunnen verdragen, in plaats zich vast te klampen aan de zekerheden van een nationale en/of religieuze identiteit. Aan de winnaars kan een meerkeuzemenu worden geboden dat aan haar individualisme tegemoet komt zonder dat dit asociale consequenties heeft. In plaats van een eenvoudig gelijkheidsverhaal te vertellen, zou links moeten zoeken naar een nieuwe balans tussen materiŽle kansengelijkheid en culturele ongelijkheid.
Menno ter Braak noemde dit de ‘inspirerende inconsequentie’ van de democratie. 'Het is een systeem; dat gelijkheid nastreeft, in het besef dat ongelijkheid niet alleen onvermijdelijk, maar ook gewenst is.

Paul van Seters schrijft in het Volkskrant forum van 24 oktober 2005 onder de kop "Halsema's links-liberalisme is simplistisch".

Het liberalisme stelt individuele vrijheid boven de belangen van de gemeenschap. Het socialisme gaat uit van het tegenovergestelde: individuele rechten zijn ondergeschikt aan die van de gemeenschap. Aldus Kees Kraaijeveld in zijn bespreking van het boek Vrijheid als ideaal (Het Betoog, 8 oktober). Femke Halsema en Bart Snels beschouwen deze stelling van Kraaijeveld als een grove simplificatie (Forum, 14 oktober). In de politieke filosofie hebben liberalen en gemeenschapsdenkers of communitaristen weliswaar lange tijd lijnrecht tegenover elkaar gestaan, maar die aloude tegenstelling is volgens Halsema en Snels inmiddels wezenlijk afgezwakt, en daarmee achterhaald. Liberalen erkennen dat individuen deel uitmaken van gemeenschappen waaraan zijn hun identiteit ontlenen, en communitaristen zien in dat gemeenschappen individuen niet mogen onderdrukken en hen de ruimte moeten laten voor autonome keuzevrijheid.

Aan het betoog van Halsema en Snels vallen vier zaken op. In de eerste plaats geven Halsema en Snels zelf een veel te simpel beeld van het liberalisme–communitarisme debat. Zij verwijzen naar John Rawls, Amartya Sen, en Michael Walzer. Maar de oppositie individu–gemeenschap zal men in het werk van deze protagonisten vergeefs zoeken. In werkelijkheid heeft in het liberalisme–communitarisme debat iets heel anders centraal gestaan, te weten de conceptualisering van het persoonsbegrip, gekoppeld aan het gemeenschapsbegrip. Het is dus niet de tegenstelling tussen individu en gemeenschap waar dit debat om draait, maar de bijzondere verhouding tussen die twee.

In de tweede plaats is de verwijzing van Halsema en Snels naar het einde van het liberalisme–communitarisme debat schromelijk voorbarig. De confrontatie van de tradities van het liberalisme en het gemeenschapsdenken leidt ook vandaag de dag nog tot spraakmakend academisch werk, en is onverminderd actueel. Die confrontatie geeft zicht niet op het waterige compromis van Halsema en Snels, maar op de verwevenheid van individuele rechten met verantwoordelijkheden tegenover de gemeenschap. Daarmee ontstaat aandacht voor nieuwe evenwichten tussen individuen en groepen, tussen rechten en verantwoordelijkheden, tussen instituties van de staat, de markt, en de civil society.

In de derde plaats zijn Halsema en Snels merkwaardig selectief in hun bronnen. Het maakt althans een wereldvreemde indruk om in dit verband uitsluitend Rawls, Sen, en Walzer te noemen. Nog merkwaardiger en wereldvreemder is de indruk die men overhoudt aan Vrijheid als ideaal. Daar wordt uitgebreid aandacht besteed aan het communitarisme, met name door Dick Pels. Maar de belangrijkste bron van het hedendaagse gemeenschapsdenken, te weten het Amerikaanse nieuwe communitarisme (Benjamin Barber, Robert Bellah, Amitai Etzioni, Mary Ann Glendon, Philip Selznick, en vele anderen), komt in dat hele boek niet voor—niet bij Pels, en ook niet bij de andere auteurs (waaronder Halsema en Snels). De links liberalen pakken de draad van het ethische gemeenschapsdenken liever op bij Willem Banning (1888–1971) en die van het sociaal individualisme bij Jacques de Kadt (1897–1988). Deze blikvernauwing wordt alleen maar bevestigd in de recente bijdrage van Pels in deze krant (Forum, 20 oktober).

In de vierde plaats is daar de veeg die Balkenende krijgt uitgedeeld. Halsema en Snels wantrouwen “een van bovenaf opgelegde moraal zoals die tot uitdrukking komt in … de Balkenende-lijstjes van gemeenschappelijke waarden en normen.” Die veeg is onverdiend. Het publieke debat over waarden en normen is een paar jaar geleden op gang gebracht door de persoonlijke inzet van Balkenende. In maart 2004 discussieerde de Tweede Kamer over de erosie van de publieke moraal. Bij die gelegenheid kreeg Balkenende opvallend veel steun voor zijn inzet, ook van liberale zijde en van de oppositie. De Volkskrant schreef dat “Balkenende erin is geslaagd het normbesef van de natie op de maatschappelijke agenda te plaatsen.” NRC Handelsblad deed daar nog een schep bovenop: “Balkenende is de absolute kampioen op het terrein van het spreken over waarden en normen.” Een ruiterlijke erkenning van deze verdienste kan er bij Halsema en Snels kennelijk niet af. Maar belangrijker dan dat is hun misvatting dat Balkenende moraal “van bovenaf” wil “opleggen.” Balkenende, die zijn Etzioni kent, weet als geen ander dat waarden en normen “van onderop” ontstaan, door interactie en dialoog tussen individuen, in groepen en gemeenschappen.

Halsema en Snels verzetten zich terecht tegen de simpele tegenstelling individu–gemeenschap van Kraaijeveld. Maar wat zij daarvoor in de plaats stellen is in feite even simplistisch. Het links liberalisme kan beter, en verdient beter.

Paul van Seters
Hoogleraar globalisering en duurzame ontwikkeling aan Tias Business School.