Lichte voeten bewegen in balans

Tijdelijk, wezenlijk: de mensen met wie je optrekt

Op de verschillende momenten in het leven komen je anderen tegen met wie je optrekt. Op school, in de puberteit, op je werk, op reis, bij het dansen. Allemaal verhoudingen: tijdelijk, allemaal wezenlijk. Je kiest ze niet altijd, maar ze vormen je wel. En jij vormt hen.
Wat verandert in de loop van een leven is niet zozeer wie je tegenkomt, maar hoe je optrekt. In de vroege jaren is de verhouding vanzelfsprekend, bijna onvermijdelijk: je zit naast elkaar, je trekt samen op omdat het leven jullie op hetzelfde pad zet. Later wordt het bewuster. Je ontdekt dat de diepste verhoudingen niet die zijn waarin het meest werd gedeeld, maar die waarin het meest werd gevoeld.
Present zonder te klampen, dat is de kunst van de verhouding. En die kunst heeft, net als het leven zelf, een eerste en een tweede helft.

 

Wie het meest beweegt vangt de blik en toch

Op een dansfeest valt de blik bijna altijd op dezelfde figuren: degenen die de grootste bewegingen maken, de meest uitbundige stappen. Niet omdat ze een voorbeeld zijn, maar domweg omdat ze de aandacht trekken. Pas wanneer een danspartner het lied begint te volgen -zijn opbouw, zijn adem, zijn afbouw- verandert er iets. Dan begint het gesprek dat geen woorden nodig heeft.
Less is more. Niet als leuze, maar als lichaamswijsheid.

 

Wie het lied volgt, weet: niets is spannender dan het moment waarop je er precies in valt.

 

Veroveren en bewonen

Elk leven kent een eerste en een tweede helft. Die begrippen klinken demografisch, bijna medisch. Maar wie ze door het lied haalt, begrijpt ze anders. Een lied heeft ook een eerste en een tweede helft: spanning die opbouwt, een hoogtepunt en dan de langzame afbouw naar stilte. Die stilte aan het einde is niet leeg. Ze is vol van alles wat eraan voorafging.
Carl JungCarl Jung noemde het kantelpunt tussen beide helften de Lebensmitte, niet een crisis maar een uitnodiging. Wat in de eerste helft werkte, volstaat niet meer. De verovering heeft haar tijd gehad. Wat gevraagd wordt is een andere oriëntatie: niet meer naar buiten maar naar binnen, niet meer bouwen maar bewonen.
In de eerste helft verover je balans. Je bouwt, je zoekt, je strijdt. In de tweede helft bewoon je haar. Dat is een wezenlijk verschil. Bewonen vraagt geen verovering maar aanwezigheid. Geen bezit maar lichte voeten.
Wie de tweede helft ziet als neergaande lijn, treurt om wat was. Wie spreekt over vasthouden wat bereikt is, verdedigt. Beide houdingen vragen veel energie, energie die dan niet meer beschikbaar is voor de kleine dingen. En het zijn, juist, de kleine dingen die de tweede helft haar eigenlijke kleur geven. Niet klein omdat ze onbelangrijk zijn, maar omdat ze geen voetstuk meer nodig hebben. Ze mogen er gewoon zijn.
Rilke schreef: Ich lebe mein Leben in wachsenden Ringen. Niet in veroverende lijnen maar in uitdijende cirkels, steeds groter, steeds lichter van gewicht. Aanwezig in steeds meer, geklemd aan steeds minder.

 

Hoe steviger je pakt

Er zijn mensen die de tweede helft ingaan zonder die kunst van het lichte bewonen. Ze zoeken nog steeds de grote beleving, de verovering, het hoogtepunt. In dat opzicht lijken ze op Don Quichot: de man die het grote blijft najagen terwijl de werkelijkheid hem voorbijgaat. Niet tragisch in de Griekse zin, maar schrijnend juist omdat zijn zoektocht zo herkenbaar menselijk is. We herkennen hem omdat we hem in onszelf kennen.
En soms vinden ze dat hoogtepunt, in een landschap, een werk, een liefde die precies de vorm heeft van wat ze zochten. Maar wie het mooie te krampachtig vasthoudt, sloopt het. Hoe steviger je pakt, hoe meer er door je vingers glipt.
Wat overblijft is een merkwaardige leegte: het verleden verloren, het heden dat er niet tegenop kan, de toekomst die leeg aanvoelt. Niet omdat het leven niets meer te bieden heeft, maar omdat de maat van het grote het kleine onzichtbaar maakt.
De vraag is dan niet hoe je iemand redt uit die leegte. Je redt niemand. Je kunt alleen vergezellen. En vergezellen is ook een vorm van lichte voeten.

 

De ondraaglijke lichtheid

Toch stuit de lichtheid op weerstand. Wie erover spreekt, merkt het: een lichte aarzeling in de ogen van de ander, iets dat op jaloezie lijkt, soms op afweer.
Milan KunderaKundera wist het al: de ondraaglijke lichtheid van het bestaan is ondraaglijk niet omdat ze zwaar is, maar omdat ze te weinig houvast geeft. Wie in het zware leeft, ervaart de lichtheid van een ander soms als een oordeel over zijn eigen zwaarte. Alsof lichte voeten zeggen: kijk, het kan wel.
Maar schoonheid aanbieden is iets anders dan schoonheid tonen. Het eerste gebaar nodigt uit, het tweede kan onbedoeld beschamen. Schoonheid delen zonder haar op te dringen vraagt dezelfde lichte voeten als het leven zelf.

 

Dansen met het lied

De dans leert dit elke keer opnieuw. Je danst niet voor de zaal, je danst met het lied. De wilde figuren vangen de blik, maar de blik is niet de maatstaf. Pas wanneer de danspartner het lied van binnenuit begint te voelen, wordt de lichtheid gedeeld. Niet opgelegd, niet getoond. Gedeeld.


Rainer Maria RilkeRilke schreef ook over de verhouding als twee mensen die naast elkaar in dezelfde richting kijken, niet naar elkaar toe gekeerd in bezit, maar samen gericht op wat groter is dan beiden. Zo is het ook met de verhoudingen die het leven ons geeft. Op school, op het werk, op reis, bij het dansen: altijd tijdelijk, altijd wezenlijk, altijd het meest waardevol wanneer ze licht worden gedragen.
Zo is het ook met de reis die het leven heet. Het gaat niet om de bestemming maar om hoe je reist en naar wie. De moed van de tweede helft is niet de moed om te veroveren, maar de moed om te ontvangen en te vergezellen.


Wie licht beweegt verliest de grond niet. Hij raakt haar steeds opnieuw.