Waarom en waarop ik kan berusten

Wat ik niet zeker te hoef weten

Er zijn mensen die de onzekerheid over de dood niet kunnen verdragen en daarom kiezen voor een antwoord, welk antwoord dan ook. Een troostend geloof, een filosofisch systeem, een spirituele belofte. Ik begrijp die behoefte, maar ik deel haar niet. Niet-weten vind ik goed te verdragen, zolang de conclusie maar gebaseerd is op integriteit en logica.
Dat klinkt misschien koel of ongeïnteresseerd, maar het is het tegendeel. Wie niet-weten verdraagt omdat hij er eerlijk naar heeft gekeken, staat op iets stevigers dan wie schijnzekerheid heeft gekocht ten koste van de werkelijkheid.

 

De aantrekkingskracht van voortleven

Het verlangen dat er iets voortgaat na de dood is bijna universeel. Dat zegt iets over de kracht van de behoefte, maar niets over de waarheid ervan. Toch zijn er aanwijzingen die de fantasie voeden en die je niet zomaar kunt negeren.
Bijna-doodervaringen zijn de sterkste. Mensen beschrijven coherente ervaringen tijdens klinische dood, soms met verifieerbare waarnemingen van buiten het lichaam. Dat is fenomenologisch serieus, ook al is de interpretatie ervan open.
Dan is er de asymmetrie van bewustzijn: we begrijpen nog steeds niet hoe subjectieve ervaring überhaupt uit materie (neuronen) ontstaat. Dat gat laat ruimte voor de gedachte dat bewustzijn niet volledig samenvalt met hersenactiviteit..
Non-dualiteit biedt hier geen troost in de gebruikelijke zin. Het zegt iets radicalers: er is geen afzonderlijk iemand die ergens zou kunnen blijven bestaan. Wie vanuit non-dualiteit concludeert dat zijn geest altijd doorleeft, heeft het begrip omgebogen naar iets wat het niet bedoelt: een subtiele versterking van het ego-idee, maar dan in geestelijk kostuum.

 

Open blijven zonder te zweven

Er is een derde weg tussen troostend antwoord en cynisch antwoord. Die weg vraagt meer dan troost en cynisme.
Open blijven zonder te zweven vraagt ankers zonder dogma's. Je hebt iets nodig waarop je vertrouwt -waarden, logica, eerlijk zelfonderzoek- maar die ankers mogen niet zo zwaar worden dat ze nieuwe waarneming blokkeren. Het verschil tussen een anker en een gevangenis is of je er vrijwillig bij blijft.
Het vraagt ook het kunnen verdragen van spanning. Twee tegenstrijdige dingen kunnen tegelijk waar zijn, of allebei onbekend, zonder dat je de spanning geforceerd oplost door één kant te kiezen. Zweven is twijfel zonder richting, twijfel als permanent uitstel van een conclusie. Open blijven is twijfel met aandacht: je weet niet wat het antwoord is, maar je blijft kijken.
En het vraagt bereidheid om teleurgesteld te worden. Wie echt open blijft, moet de mogelijkheid verdragen dat het antwoord, als het komt, niet is wat hij hoopte. Dat vraagt dat je het verlangen naar een bepaalde uitkomst vroeg onderkent en er niet heimelijk door gestuurd wordt.
En dan is er iets wat moeilijk te benoemen valt: een soort vertrouwen dat niet-weten je niet vernietigt. Niet het vertrouwen dat het goed komt, maar het vertrouwen dat je de openheid zelf kunt dragen. Dat heeft weinig met kennis te maken, meer met wie je bent geworden.

 

Een God die geen haast heeft

Wat voor mij het niet-weten draaglijk maakt is niet stoïcijnse berusting. Er is iets meer, een onderliggend vertrouwen dat de richting deugt, ook als het einddoel onzichtbaar is.
Ik heb mijzelf heel lang agnost genoemd.
Ik geloof nu in een God die “bezig” is, op zijn eigen tijd, de evolutie te ontvouwen. Niet als schepper buiten de wereld die aan de touwtjes trekt, maar als de werkelijkheid die zich door de wereld heen beweegt, wat Spinoza aanduidde als deus sive natura, maar dan in een dynamische variant. Die evolutie is gericht op wat wel eens zielskwaliteiten wordt genoemd: meer bewustzijn, meer verbinding, meer vermogen tot liefde en eerlijkheid etc., kortom meer kwaliteit.
Dat is geen triomfalistische gedachte, geen Omega-punt zoals van Teilhard de Chardin waar alles naartoe gaat. Het is subtieler: niet dat de evolutie ergens naartoe gedwongen wordt, maar dat er terugkijkend vanaf het ontstaan van leven een tendens waarneembaar is. Richtingsvol zonder dwang maar met vrijheid.
Dit vertrouwen vraagt niets voor mijzelf. Geen persoonlijk voortleven, geen beloning. Alleen de bereidheid deel te zijn van iets wat groter is en minder gehaast. En daarin past het niet-weten heel natuurlijk. Want als God de tijd heeft die de evolutie vergt, hoef ik de uitkomst (nog) niet te kennen. De richting van de evolutie stemt tot vertrouwen; wat mensen er ondertussen in vrijheid van maken, lang niet altijd. Meer evenwaardigheid en rechtvaardigheid -kortom emancipatie- vraagt geduld.
Dat is waarin en waarop ik kan berusten. Niet op een antwoord, maar op een richting. Niet op zekerheid, maar op integriteit. En op het stille vermoeden dat de natuur -en de God die zich daarin ontvouwt- nooit heeft gewacht op haar eigen goedkeuring om te bloeien.

.