Een schatzoeker die zichzelf nog niet kent
De schat die we zoeken in de ander
Er is een oude overlevering uit het soefisme, aan God zelf toegeschreven: "Ik was een verborgen schat en ik wilde gekend worden, dus schiep ik de wereld". Wat daarin opvalt: er staat niet dat God zichzelf al kende en dat wilde tonen. Er staat dat hij gekend wilde wórden: als iets dat hemzelf ook nog niet volledig helder was.
Diezelfde onzekerheid is menselijk herkenbaar. We dragen allemaal iets in ons dat zelfs voor onszelf niet geheel zichtbaar is. Niet iets dat verborgen wordt gehouden, maar iets dat gaandeweg wordt ontdekt: via de blikken van anderen, via botsingen, via wat het leven met iemand doet.
Schepping als open experiment
Stel dat het scheppingsverhaal niet gaat over een God die precies wist wat hij deed. Stel dat de versplintering van het Ene in het vele juist ontstond uit iets dichter bij nieuwsgierigheid: wat zal dit fragment, dit mens, mij terugbrengen? Dan is de schepping geen voltooid plan, maar een open experiment en is ieder mens niet slechts een instrument om God te bevestigen, maar een eigen bijdrage die het grotere geheel iets leert wat het zelf nog niet wist.
Verliefdheid als sleutel tot onszelf
Dat verandert de blik op verliefdheid. Wie verliefd wordt, ziet niet alleen de ander, hij meent via de ander ook zichzelf eindelijk te kunnen benaderen. Alsof de ander de sleutel draagt tot iets in onszelf waar niemand zelf bij kon. Dat verklaart de intensiteit ervan: het voelt niet als kennismaking, het voelt als thuiskomen bij iets dat altijd al van ons was, maar nooit eerder toegankelijk. Net als God, nieuwsgierig naar wat de versplintering hem zou brengen, is de verliefde nieuwsgierig naar wat de ander hem brengt over zichzelf.
Waarom die belofte breekt
Die belofte breekt vaak. Soms omdat de eigen onbekende schat op de ander wordt geprojecteerd, tot later blijkt dat vooral het eigen zelf werd weerspiegeld. Soms omdat de confrontatie doorbreekt: de ander blijkt een eigen, andere schat te hebben, geen echo van de eigene. En hier splitst het pad zich, al naargelang iemands neiging: wie geneigd is dingen op zichzelf te betrekken, concludeert "ik heb me vergist in mezelf"; wie geneigd is de schuld bij een ander te leggen, concludeert "hij heeft me iets beloofd wat niet waargemaakt werd". Beide bewegingen sluiten iets dat open had moeten blijven.
Nieuwsgierig blijven
Wat als de schat nooit volledig gevonden hoeft te worden? De hadith *) zegt niet dat God, na de schepping, zichzelf compleet kende. Alleen dat het verlangen om gekend te worden de schepping in gang zette en dat verlangen stopt niet bij de eerste mens die hem iets terugbracht. Misschien is liefde dan niet het vinden van de schat, maar het gaande houden van diezelfde onvermoeibare nieuwsgierigheid waarmee het geheel zichzelf ooit versplinterde zonder ooit definitief "gevonden!" te kunnen roepen.
Bevragen in plaats van bezitten
Twee mensen die elkaar niet bezitten maar bevragen. Niet om elkaars schat in bezit te nemen, maar om elkaar -en daarmee zichzelf- telkens een beetje beter te leren kennen. Misschien is dat alles wat liefde ooit heeft beloofd.
*) Een hadith is een overlevering over uitspraken of daden van de profeet Mohammed, of -zoals in dit geval- een uitspraak die aan God zelf wordt toegeschreven (dat laatste type heet specifiek een hadith qudsi, "heilige overlevering"). Anders dan de Koran, die als Gods eigen woord geldt, zijn hadiths mondeling overgeleverd en pas later opgeschreven, met een keten van vertellers erbij (de isnad) die moest aantonen hoe betrouwbaar de overlevering was.
Geleerden verdelen hadiths daarom in categorieën van betrouwbaarheid -van sahih (authentiek) tot da'if (zwak)- afhankelijk van hoe sterk die keten van overlevering is. De hadith van de "verborgen schat" die we gebruikten, valt in de zwakkere categorie: veel islamitische geleerden beschouwen de overleveringsketen als niet sluitend, soms zelfs als latere toevoeging. Binnen de mystieke traditie van het soefisme wordt ze desondanks veel aangehaald, juist omdat ze zo treffend samenvat wat mystici als Ibn al-'Arabi over de schepping wilden zeggen, ongeacht de vraag of de tekst historisch teruggaat op Mohammed zelf.
.