Waarom er geen zuivere boodschap bestaat

Het misverstand over ruis als verklaring

Iedereen kent het fluisterspel uit de kindertijd: een kort maar ingewikkeld verhaaltje gaat gefluisterd van oor tot oor door een rij mensen en aan het eind vertelt de laatste luisteraar een versie die nauwelijks nog op de beginversie lijkt. De gangbare uitleg is dat er onderweg ruis insluipt, dat er fouten worden gemaakt, dat de boodschap "corrumpeert". Die uitleg veronderstelt dat er een zuivere versie bestond die -voordat de eerste persoon hem doorgaf- ergens vrij en onaangetast bestond zodat deze ongewijzigd kan worden doorgegeven.
Wat er werkelijk gebeurt is iets anders. Elke schakel in de keten construeert het verhaal opnieuw, niet uit onzorgvuldigheid, maar omdat luisteren, onthouden en doorgeven nooit neutraal zijn. Wie iets hoort, hoort het altijd vanuit zijn verhouding tot degene die spreekt en geeft het altijd door vanuit zijn verhouding tot degene die luistert. Er is geen moment waarop de inhoud even los stond van die verhoudingen. Het beeld van bederf klopt niet, want er was niets om te bederven: elke doorgifte is al een vertaling naar betrekking.

 

Ooggetuigen en het nieuws

Gregory BatesonDit patroon geldt niet alleen voor een kinderspelletje. Elk ooggetuigenverslag is in wezen hetzelfde fluisterspel, alleen met hogere inzet. Wie iets heeft meegemaakt en het navertelt aan wie er niet bij was, geeft geen opgeslagen opname door, maar een reconstructie: gevormd door wat hij zich meent te herinneren, door de vragen die hem gesteld worden, door wat anderen intussen al hebben verteld, door wie er tegenover hem zit en wat hij denkt dat die persoon wil of moet horen. Twee getuigen van dezelfde gebeurtenis kunnen zo tot oprecht verschillende verslagen komen zonder dat een van beiden liegt of nalatig is.
Dezelfde keten zet zich voort in wat wij dagelijks lezen. Een nieuwsbericht is zelden het rechtstreekse woord van wie iets heeft meegemaakt, het is het resultaat van een reeks doorgevers: de getuige die het aan een journalist vertelt, de journalist die het optekent en inkort, de redacteur die een kop erboven zet, de lezer die de kop eerder ziet dan de tekst. Elke schakel voegt daarbij, net als in het fluisterspel, zijn eigen verhouding toe tot wat hij hoorde en tot wie hij het doorgeeft: welke woorden nieuwswaardig klinken, wat een lezer zal aanspreken, wat kort genoeg is om te plaatsen. Ook hier geldt dus niet dat de een de waarheid beter heeft "vastgehouden" dan de ander, maar dat elke schakel de gebeurtenis opnieuw heeft moeten construeren vanuit zijn eigen verhouding tot wat er gebeurde en tot wie ernaar vraagt.

 

Roddel als pikant fluisterspel

Bij roddel wordt dit patroon niet alleen herhaald, maar versterkt. Verteller en luisteraar spreken zelden hardop af dat het verhaal pikanter moet worden, maar ze doen er vaak allebei aan mee: de luisteraar toont meer interesse zodra een detail sappiger wordt, de verteller voelt die aanmoediging en levert er meer van. Geen van beiden zou toegeven dat ze de waarheid geweld aandoen en toch ontstaat er zo een versie die verder van het origineel afstaat dan bij een neutrale navertelling ooit zou gebeuren, niet ondanks de twee partijen, maar dankzij hun stilzwijgende samenwerking.

 

Wat er binnenin gebeurt

Het fluisterspel lijkt hierin op de werkelijkheid buiten het spel om, dat de luisteraar niet meeluistert op het moment dat de verteller zijn eigen versie binnenkrijgt. Terwijl de een de zin van zijn voorganger ontvangt en in stilte omvormt tot wat hij dadelijk gaat doorgeven, is de volgende in de rij daar geen getuige van. Hij hoort alleen het resultaat, nooit het proces waarin de vorige schakel de woorden eerst zelf moest laten landen, erover moest nadenken en ze moest passen in wat hij dacht dat er bedoeld werd. Datzelfde geldt buiten het spel: wanneer iemand een boodschap ontvangt en herformuleert voor een volgende luisteraar, gebeurt dat werk onzichtbaar voor iedereen behalve voor hemzelf. De ander krijgt alleen de uitkomst, niet de innerlijke keuken waarin die uitkomst is bereid. De kok draagt geen verantwoordelijkheid voor hoe zijn gerecht wordt beleefd.

 

Waarom nalatigheid onopgemerkt blijft

Dat maakt iets duidelijk wat het populaire beeld van bederf gedeeltelijk mist: de integriteit van de verteller staat zelden op de manier ter discussie die we zouden verwachten. Hij doet zijn best om het zo goed mogelijk door te vertellen -of niet- en al weet hij zelf drommels goed hoeveel moeite hij zich heeft getroost, niemand anders rekent hem er ooit op af. Juist omdat die externe toetsing ontbreekt, geen moment waarop iemand nagaat of de vorige schakel zich werkelijk heeft ingespannen, kan nalatigheid ongemerkt meespelen zonder dat het als een schending voelt: er is niemand behalve hijzelf die de vergelijking maakt tussen wat hij kreeg en wat hij doorgaf. Naast die nalatigheid is er de onvermijdelijke vervorming die ontstaat doordat een innerlijk proces zich nooit volledig naar buiten laat vertalen: zijn eigen geheugen, zijn eigen aannames over wat belangrijk is, zijn eigen beeld van wie er luistert. De keten wordt dus niet zwakker doordat schakels oneerlijk zijn, maar doordat er geen enkele schakel op zijn eerlijkheid wordt gecontroleerd en omdat elke schakel sowieso een mens is en geen objectieve doorgeefluik zoals een machine of een gegevensdrager.

 

Van inhoud naar betrekking

Dat inzicht raakt iets fundamenteels in hoe wij communicatie meestal opvatten. Wij denken dat een boodschap bestaat uit inhoud, verpakt in vorm en dat een goede overdracht betekent dat de inhoud intact blijft terwijl alleen de vorm verandert. Maar wie iets navertelt, vertelt niet dezelfde inhoud in een andere jas. Hij vertelt iets nieuws, gevormd door de vraag aan wie hij het vertelt en waarom. Datzelfde geldt wanneer je een tekst voorleest in plaats van hem te laten lezen: wat er uit de mond komt, is niet identiek aan wat er op papier staat, ook al zijn het dezelfde woorden. De spreker zelf hoort soms het verschil tussen wat hij van plan was te zeggen en wat er werkelijk klinkt en dat verschil is geen fout, het is het onvermijdelijke resultaat van het feit dat spreken altijd tot iemand gericht is.

 

Wanneer een kloppende tekst toch pijn doet

Als dat zo is, dan verdwijnt ook de illusie dat je een boodschap kunt "corrigeren" door hem preciezer te formuleren. Preciezer formuleren verhelpt geen betrekkingsprobleem, want het probleem zit niet in de inhoud. Wie een boodschap krijgt die hem kwetst of teleurstelt, wordt zelden getroffen door de feiten zelf, maar door wat er in de toon, het moment of de context van de overdracht doorklinkt over de verhouding tussen zender en ontvanger. Een tekst die informatief en feitelijk volledig klopt, kan toch als een klap aankomen.

 

Het is de toon die de muziek maakt

Hier ligt de grens van wat je met woorden kunt oplossen wanneer een verhouding vastloopt. Je kunt niet uitleggen dat je het goed bedoelde, want uitleggen is zelf weer inhoud, terwijl het probleem in de (toon van de) betrekking zit. De enige weg die overblijft, is een gesprek over het gesprek zelf: niet praten over wie er gelijk had, maar samen stilstaan bij wat er tussen twee mensen gebeurde. Dat klinkt eenvoudig, maar het vraagt iets wat niet op commando te leveren is: vertrouwen dat de ander het niet doet om alsnog gelijk te krijgen. Zonder dat vertrouwen klinkt zelfs het aanbod -hoe zacht ook geformuleerd- tot een gesprek over het gesprek als een nieuwe zet in een oud spel.

 

Vertrouwen laat zich niet afdwingen

Dat vertrouwen laat zich niet afdwingen door vaker te herhalen dat je het goed bedoelt en het laat zich al helemaal niet bewijzen. Het ontstaat, als het ontstaat, op een moment dat de ander er zelf aan toe is om het aan te nemen, vaak wanneer die ander het meest naar verbinding zoekt en het minst op zijn hoede is. Wie evenwaardig wil zijn tegenover een ander kan dus jaren wachten voordat hij zijn aanbod doet, niet uit besluiteloosheid, maar omdat hij weet dat een aanbod dat te vroeg komt zijn eigen inhoud tegenspreekt: het klinkt dan als sturing, ongeacht de bedoeling erachter.

 

De grens van redundantie

Soms helpt redundantie om te voorkomen dat een ander een wezenlijk element mist: een boodschap iets vaker of net iets anders verwoorden, zodat de kern niet afhangt van een toevallige, ongelukkige formulering. Maar redundantie werkt alleen zolang ze spaarzaam blijft: te veel herhaling doet de luisteraar juist verslappen, omdat aandacht nu eenmaal wordt opgeroepen door iets dat nog niet zeker is en zekerheid precies is wat overdaad aan herhaling belooft. Het fluisterspel demonstreert het tegenovergestelde uiterste: het verhaal bevat opzettelijk geen enkele redundantie, juist om de kans op fouten tijdens het doorgeven te vergroten. Wie wil dat een boodschap ondanks onvermijdelijke vervorming toch overkomt, zoekt dus ergens tussen die twee uitersten: genoeg herhaling om de kern overeind te houden, niet zoveel dat de ander ophoudt echt te luisteren.

 

Wat het fluisterspel ons leert

Het fluisterspel leert ons dus meer over vertrouwen dan over communicatiefouten. Er bestaat geen zuivere boodschap die je feilloos kunt doorgeven, er bestaat alleen de vraag of de verhouding waarin je spreekt sterk genoeg is om de onvermijdelijke vervorming te dragen zonder dat de ander zich verraden voelt. Dat is geen gebrek dat om reparatie vraagt. Het is de voorwaarde waaronder mensen elkaar ooit werkelijk bereiken, soms flitsend maar vaker stap voor stap. Vertrouwen komt te voet en verdwijnt te paard.