De gek in de spiegel

Oftewel hoe The Fool de getuige werd

Ik was een jaar of zes en racete met mijn jongere broertje met onze fietsen op een klein grasveld. Was het een wedstrijd? Dat voelde wel zo: ik was twee jaar ouder en kon niet onderdoen. Mijn broertje passeerde mij binnendoor. Mijn peettante keek toe en zei iets in de trant van: “je wilt niet graag verliezen”. Ik weet niet meer wat zij precies zei, ik weet nog wat ik voelde: ze had gelijk, maar het voelde ook ongepast dat zij dat benoemde en ik kon er niets van zeggen omdat zij een volwassene was en ik een kind. Drie dingen tegelijk, geen van alle kon ik op dat moment benoemen.

 

Dat moment is lang geleden. Maar de structuur ervan niet.

 

Ik had een notie van begrip. Niet alleen van wat mijn tante zei, maar van alles eromheen: de situatie, de verhoudingen, wat er niet gezegd kon worden. Alleen de woorden ontbraken. En misschien is dat de eerlijkste definitie van wat een getuige is: iemand die ziet zonder het allemaal tegelijk te kunnen benoemen, zonder het risico te willen lopen een betweter te lijken.

Wie zichzelf goed genoeg kent, loopt vroeg of laat tegen een merkwaardige val. Je herkent in een ander een patroon dat je van binnenuit kent, niet als theorie, maar als eigen beweging. En juist die herkenning maakt je monddood. Elke reactie wordt verdacht: voor de ander, die het kan wegspiegelen als projectie en voor jezelf, die weet dat het ook over jou gaat.

 

Zelfkennis en zelfobservatie als valkuil. Niet omdat ze onjuist zijn, maar omdat ze samenvallen.

 

Droste efffectHet Droste-cacaoblik laat zien hoe dit werkt. Op het blik staat een vrouw die een blik vasthoudt, waarop een vrouw staat die een blik vasthoudt. Oneindig, op steeds kleinere schaal, met steeds dezelfde structuur. Een fractal is hetzelfde principe: wat je in het groot ziet, keert terug in het klein, keer op keer. Niet als kopie, maar als herkenning.

Zo werkt de spiegel in de spiegel ook in menselijke verhoudingen. De drievoudige klem van het kind van zes -zien, niet kunnen spreken en weten dat zwijgen ook een keuze is- keert terug op elk levensschaal. In een gesprek, in een groep, in een verhouding die gelijkwaardigheid als grondprincipe heeft.
Ik besef mij, dat jij je beseft, dat ik mij besef, dat jij je beseft, enz..

 

The FoolEr is één figuur die deze klem van oudsher zonder kleerscheuren doorstaat: The Fool. De nar. Hij ziet alles, zegt alles en wordt genegeerd. En dat is precies zijn vrijheid. Hij hoeft niet gehoord te worden om gelijk te hebben. Zijn onzichtbaarheid is zijn dekmantel. Hij wordt niet monddood gemaakt. Ongrijpbaar en onbegrepen zijn twee kanten van dezelfde positie. Aantrekkelijk en onaantrekkelijk tegelijk.

The Fool is zowel de getuige, degene die bekeken wordt en degene die genegeerd wordt. Drie lagen, zoals bij het kind van zes, maar omgekeerd.

In 1967 schreven The Beatles een lied over hem. The Fool on the Hill zit alleen op een heuvel, ziet alles -de zon, de draaiende wereld- maar niemand wil hem kennen. De man met de grimlach van een dwaas houdt zich doodstil. De wereld ziet hem voor gek aan. Hij ziet de wereld voor wat ze is.
Veel mensen die dit lied hoorden, voelden iets wat ze niet konden benoemen. Dat gevoel was er al vóór de woorden. Het lied geeft het alleen een thuis.

 

Dat is op zichzelf ook een Droste-moment: een lied over iemand die niet gehoord wordt, begrepen door mensen die er geen woorden voor hebben. De structuur herhaalt zijn eigen inhoud.

 

Tommy CooperTommy Cooper kondigde op het podium droog aan: before I do the next trick, I have to say this. This. Zijn grimas leek te zeggen: ik weet niet of dit grappig is, maar be my guest. Het effect was desondanks -of juist daardoor- voor mij extreem hilarisch. Hij stond er al buiten voordat het begon.

 

Het Droste-effect is in theorie oneindig. Maar wie er werkelijk in meegaat, merkt dat de spiegels ophouden grappig te zijn. Op een gegeven moment is het geen beeld meer, maar een moeras. De baron van Münchhausen begreep dat instinctief. Hij trok zichzelf aan zijn eigen haren omhoog. Hij is geen wijze, hij is een opschepper. Maar wie zichzelf zo omhoogtrekt, weet wat een moeras is en weet ook dat het moeras soms zelf gemaakt is: de betekenis die je aan een situatie geeft, de interpretatie die je er op plakt, de klem die je ziet terwijl je haar ook construeert.

 

De enige uitweg uit een oneindige herhaling is niet verder gaan, maar jezelf er met een ruk aan uittrekken. Niet door te ontkennen dat het moeras er is, maar door er tegelijk in te zitten en er boven te hangen. The Fool doet hetzelfde, maar stiller. Hij ziet de spiegeling -hoe de situatie zichzelf blijft herhalen, hoe de klem steeds terugkeert op een andere schaal- en lacht. Niet om te ontsnappen. Maar omdat lachen de enige beweging is die het Droste-effect doorbreekt zonder het te ontkennen.

 

Het kind van zes deed dat ook, niet uit grootspraak, maar stilzwijgend. Het zag de klem, gaf haar betekenis en koos er niet op te reageren. Dat is dezelfde beweging als de baron, maar zonder de bombarie. Gewaarzijn in plaats van opschepperij. De uitweg en de valkuil zijn één en hetzelfde.

 

Dat is wat de getuige kan die niet grijpt: niet alleen kijken zonder in te grijpen, maar ook zachtjes lachen om wat hij ziet. Inclusief zichzelf. Niet als ontwijking. Als bevrijding.

 

De spiegeling in de spiegel houdt op te duizelen op het moment dat je er om kunt lachen.