Wedstrijdje hufterigheid
Ik las een tekst over stikstofbeleid die zichzelf presenteerde als journalistiek, maar vooral strijdtaal was. "Genadeklap", "gefileerd", "het kaartenhuis stort in elkaar": woorden die niets uitleggen, maar wel iemand willen vellen. Ik moest denken aan wat psychologe Roos Vonk beschreef over een debat tussen een Kamerlid en boze boeren op de publieke tribune: het ging allang niet meer om de vraag zelf, maar om het scoren bij het eigen publiek. Ikzelf noemde het op Facebook een wedstrijdje hufterigheid, met de kleine woordspeling dat rechtse politici daarbij regelmatig "in de roos" scoren.
Het lijkt wel of de geest uit de fles is. Niet dat er ineens nieuwe frustratie is ontstaan, maar de oude mag nu ongestraft geventileerd worden. De vraag die me is blijven achtervolgen is niet zozeer wát er gezegd wordt, maar waarom het er nu zo hard uitkomt.
De kurk die eraf is
Vroeger moest een mening langs een redacteur, een partijbestuur, een sociale kring voor hij publiek werd. Sociale media hebben dat filter weggehaald. Wat je vroeger dacht maar niet zei, kun je nu direct de wereld insturen en er blijkt weinig meer te zijn dat je tegenhoudt behalve je eigen geweten en dat blijkt bij velen minder sterk dan gedacht.
De angst onder de felheid
Maar het wegvallen van een filter verklaart niet waarom er zoveel vuil doorheen stroomt. Daarvoor moet je denk ik naar onderliggende onzekerheid. Er komen steeds meer mensen van andere culturen in ons straatbeeld: studenten, arbeidsmigranten, vluchtelingen, toeristen. Dat roept, terecht of niet, een gevoel van concurrentie op om schaarse dingen: bekenden op straat, een huis, een baan, een plek in de wachtrij. Onderzoek naar dit soort weerstand laat zien dat het niet zozeer de verandering zelf is die pijn doet, als wel het tempo ervan. Wie zijn straat, zijn winkel, zijn taal niet meer vanzelfsprekend terugvindt, voelt een verlies van herkenning, ook als hij niet principieel tegen iets is.
Onder die concurrentie zit iets dat nog dieper gaat: de vraag of je jezelf staande kunt houden in de samenleving. Wie zich van jongs af aan onmachtig voelt, ruilt zijn vrijheid soms liever in voor onderwerping aan iets groters -een groep, een leider, een idee van eigen superioriteit- omdat dat een gevoel van houvast geeft dat hij zelf niet meer kan opbrengen. Superioriteitsgevoel is dan niet de oorzaak, het is het medicijn tegen een onmacht die niemand graag toegeeft.
Wat deze tijd anders maakt
Dit patroon is niet nieuw. Angst die omslaat in nationalisme, in vreemdelingenhaat, in het idee dat "wij" beter zijn dan "zij", is van alle tijden. Wat wel nieuw is: welvaart, gemakzucht en snelheid werken tegenwoordig als aanjager, niet als demper. Je zou verwachten dat welvaart angst juist wegneemt, wat het tot recent ook deed, maar tegenwoordig lijkt het tegendeel waar. Hoe meer comfort de norm wordt, hoe kleiner de afwijking die al als verlies aanvoelt. Een generatie die honger of oorlog heeft gekend relativeert een prijsstijging anders dan een generatie die nooit iets heeft moeten missen.
Gemak verwent bovendien de verwachting. Als alles altijd beschikbaar is, snel en naar wens, wordt wachten, delen, je aanpassen een steeds onnatuurlijker ervaring. En snelheid maakt reflectie moeilijker: wie voortdurend scrolt, swipet en binnen seconden reageert, oefent een reactief, categoriserend soort denken en het reflectieve, verdragende soort denken raakt juist onderontwikkeld. Zo wordt ongeduld een nieuw basisrecht dat geschonden voelt zodra de werkelijkheid -een file, een wachtlijst, een procedure- niet aan het gewenste tempo voldoet.
De oude verhalen die klaarstonden
Bij die actuele stress komt iets dat al veel langer klaarligt om te reageren. Heel veel mensen kregen op school een verkapt patriottisme mee. Er is altijd wel een periode aan te wijzen waarin het eigen land won, uitblonk, het gelijk aan zijn zijde had. Dat voedt superioriteitsgevoel, maar geen rustig, stabiel superioriteitsgevoel. Het is eerder, om met Roos Vonk te spreken, een onbewuste emotionele soep van zelfvergenoegdheid, schaamte en angst voor ontdekking, want ergens weet je dat het verhaal gepolijst is, dat er bladzijden zijn weggelaten en dat iemand ze op een dag kan opslaan.
Die soep verklaart waarom een simpele tegenspraak zo'n disproportionele reactie oproept. Als het puur zelfvergenoegdheid was, zou een tegenargument gewoon genegeerd worden. Maar als er onderhuids al schaamte en ontdekkingsangst meespelen, voelt een tegenargument als een dreigende blootlegging en dáár hoort woede bij, geen nadenken.
Wat de hedendaagse informatiebubbel dan doet, is niet de oorzaak zijn van die felheid, maar de katalysator. De oplossing was al oververzadigd, klaar om te reageren. Elk nieuw bericht -over vluchtelingen, over stikstof, over "links" of "rechts"- slaat neer in een reeds aanwezige emotionele structuur en wekt reflexen die er soms al decennia lagen. Dat verklaart ook waarom feiten zo weinig helpen: je gooit geen nieuwe stof in een neutrale vloeistof, je gooit ze in een soep die al klaarstond om te reageren, ongeacht wat er precies wordt toegevoegd.
De groep die de schaamte ontoegankelijk houdt
Schaamte blijft meestal onbewust, vooral wanneer iemand zich kan aansluiten bij een groep die zijn schaamteloosheid steunt. Alleen zou schaamte vroeg of laat toch kunnen opborrelen, in een groep die elkaar voortdurend bevestigt krijgt ze geen kans. Applaus van gelijkgestemden -boze boeren op de tribune, bijval onder een felle post- is een onmiddellijke, publieke bekrachtiging die geen ruimte laat voor de korte stilte waarin schaamte normaal zou kunnen opkomen. Iedereen bevestigt elkaar hardop dat het geen probleem is en elke poging om de schaamte alsnog aan te wakkeren wordt meteen geherinterpreteerd als een aanval van "de ander" op "ons", wat de groepscohesie alleen maar versterkt.
Dat verklaart misschien ook waarom mensen in het openbaar grover zijn dan onder vier ogen en waarom sommigen, jaren nadat ze een groep hebben verlaten, alsnog schaamte gaan voelen over wat ze eerder zeiden of deden. Zolang de dekking van de groep er is, blijft schaamte onbereikbaar. Zodra die wegvalt -door afstand, door tijd, door een omgeving die niet meer bevestigt maar bevraagt- krijgt ze alsnog de ruimte om te landen, vaak met een hevigheid die in verhouding staat tot hoe lang ze is opgehouden.
Een kentering: niet alle wantrouwen is angst
Het zou te gemakkelijk zijn om alle verharding terug te voeren op angst alleen, want dan wordt elke vorm van wantrouwen tegen gezag stilzwijgend weggezet als een symptoom, terwijl een deel ervan volkomen terecht is. Bij de laatste drie generaties is een wantrouwen gegroeid tegen instanties (bijvoorbeeld de kerk of de ouders) met de pretentie het beter te weten en dat wantrouwen is niet alleen begrijpelijk, het is ook verdiend. De toeslagenaffaire, de manier waarop een financiële crisis werd afgewenteld op gewone spaarders, decennialang bagatelliseren van zorgen over migratie door ze weg te zetten als "verkeerd denken" in plaats van ze te onderzoeken: dat zijn geen inbeeldingen.
De toets die ik hierbij het bruikbaarst vind, is simpel: heeft iemand die zegt het beter te weten dat ook uit kunnen leggen? Als je iets niet aan een leek kunt navertellen, heb je het zelf misschien niet volledig doorgrond, of je vermijdt bewust de kwetsbaarheid van tegenspraak. Niet kunnen uitleggen is dan geen teken van diepgang, maar een vluchtroute. Dat onderscheid houdt de zaak eerlijk: er is een verschil tussen "instanties hebben het niet altijd bij het rechte eind", wat een gezonde, kritische houding is en "instanties zijn per definitie tegen je", wat hetzelfde wij-zij-denken is dat we net bij de hufterigheid zagen, alleen nu andersom gericht.
Wat overblijft om te doen
Als dit klopt, dan is de hufterigheid die je overal ziet niet in de eerste plaats een overtuiging, maar een symptoom, een manier om onmacht draaglijk te maken, gevoed door oude verhalen en beschermd door een groep die geen ruimte laat voor schaamte. Dat besef ontwapent een deel van de felheid, niet omdat het de standpunten weerlegt, maar omdat het de toon relativeert.
Wat helpt, is niet meespelen op het speelveld van de tegenstander: trucage benoemen in plaats van er met evenveel venijn tegenin te gaan. Wat ook helpt, is geraakt zijn zonder terug te slaan, zoals een politica die een felle aanval incasseert met een korte, luchtige reactie in plaats van met evenveel gif. En het helpt om verklaring en rechtvaardiging uit elkaar te houden: begrijpen waarom iemand hufterig wordt is iets anders dan het goedkeuren.
Voor wie zelf gezag draagt of claimt, geldt misschien de belangrijkste opgave: zorgen behandelen als informatie en signalen in plaats van als storing en jezelf de vraag stellen of je kunt uitleggen wat je beter denkt te weten. En voor onszelf, ieder afzonderlijk, blijft er die kleine maar lastige oefening: de ander een mens laten blijven in plaats van een categorie, ook precies op het moment dat hij ons het felst frustreert. Niet als overtuiging die je één keer beslist en daarna hebt, maar als iets wat telkens opnieuw gedaan moet worden, het liefst juist wanneer het je het minst uitkomt.
De tekst waarmee ik begon, over het stikstofbeleid, blijft na dit alles hetzelfde stuk strijdtaal dat het was. Maar ik lees het nu anders: niet als een uitspraak over stikstof, boeren of een minister, maar als weer een druppel die de emmer laat overlopen. Wat er nooit gevraagd wordt, is waar die inhoud dan blijft: ze stroomt de onbewuste emotionele soep in die allang klaarstond om te reageren.