Boekbespreking in de Koorddanser van het boek van Titus Rivas & Bert Stoop (red.) (2006) Spiritualiteit, vrijheid en engagement.

In haar in 2007 verschenen proefschrift ziet Suzette van IJssel, op grond van vele beschrijvingen en definities, spiritualiteit als een werkelijkheidsgebied dat vijf deelgebieden kent.

Daarbij gaat het om “spiritualiteit als een dynamische ontwikkeling, om spiritualiteit als ervaringen met betrekking tot het transcendente, om spiritualiteit als (zoeken naar) interpretaties van werkelijkheid, om spiritualiteit als het beoefenen van praktijken (praxis) en om spiritualiteit als een bewust gekozen en ingeoefende levenshouding. Het integreren van al deze benaderingswijzen,” schrijft ze vervolgens, “toont spiritualiteit als een term die betrekking heeft op een dieptedimensie in het menselijk bestaan die enerzijds spontaan kan worden ervaren en anderzijds bewust wordt opgezocht. [...] Deze actieve en passieve aspecten werken wederzijds op elkaar in, dat wil zeggen dat de keuze de ervaring genereert, terwijl de ervaring op haar beurt de keuze zichtbaar maakt” (blz. 52).
Belangrijk is dat in deze omschrijving spiritualiteit niet wordt verbonden met een godsdienst, met de een of andere vorm van dogmatisme of conservatisme of met escapisme. Toch wordt dit soort relaties, met name door maatschappelijk geëngageerde mensen, nogal eens gelegd. Dat vonden althans Titus Rivas en Bert Stoop, de samenstellers van het boek dat ik hier bespreek. Omdat ze dat wel een heel eenzijdige voorstelling van zaken vonden, vroegen ze een aantal auteurs om bijdragen waarin een meer genuanceerde beeld wordt geschapen. De meer algemene vraag die daarbij centraal stond was “hoe spiritualiteit [...] een rechtvaardige, menslievende, diervriendelijke en milieuvriendelijke realiteit kan bevorderen” (blz. 4). De bijdragen in het in 2006 verschenen boek Spiritualiteit, vrijheid en engagement proberen daar antwoord op te geven.

Het boek bestaat uit drieëntwintig essays van, of interviews met liberale en progressieve ongebondenen en vertegenwoordigers van de rooms-katholieke en protestantse kerken, de islam, het hindoeïsme, het boeddhisme en de Baha’i beweging. Volgens de inleiding van de samenstellers leggen deze mensen “een inherent verband tussen de concrete variant of varianten van spiritualiteit [...] en genoemde idealen”, d.w.z. de idealen die in de bovengenoemde centrale vraag worden genoemd (in het vervolg spreek ik kortheidshalve alleen maar van ‘de idealen van het boek’). Dit is interessant omdat, zoals we hebben gezien, in de karakterisering van Van IJssel een dergelijk verband niet voor de hand ligt. Omdat dit de kern van het boek raakt zal ik mij in mijn bespreking op dit verband richten en wel vooral op de verschillende manieren waarop de relatie tussen spiritualiteit en de idealen van het boek gestalte krijgt. Vier bijdragen dienen daarbij als voorbeeld.

In de bijdrage van de psycholoog en Baha’i aanhanger Eric Fienieg staat de vraag wat we onder spiritualiteit verstaan, centraal. Voor hem is dat “het harmonieus ontwikkelen en realiseren van een specifiek pakket kwaliteiten en deugden. Kwaliteiten en deugden die door de andere spelers in onze leefwereld concreet te ervaren zijn en hun eeuwige waarde reeds hebben bewezen” (blz. 20-21). Omdat ze overeenkomen met de idealen van het boek, noem ik van de vele voorbeelden die Fienieg van die kwaliteiten en deugden geeft alleen: “rechtvaardigheid”, “liefde en vertrouwen”, “het kunnen aanvoelen van wat zuiver, integer, heilig en dus kwetsbaar is en de bescherming daarvan” en “actieve betrokkenheid op de zorg voor de heelwording van onze collectieve leefwereld” (blz. 21).
Spiritualiteit levert volgens hem dus niet een bijdrage aan de idealen van het boek, maar het ‘harmonieus ontwikkelen en realiseren’ daarvan is spiritualiteit. Deze opvatting van spiritualiteit verschilt essentieel van de omschrijving van Van IJssel die, zoals ik heb aangegeven, haar definitie heeft gebaseerd op vele beschrijvingen en definities daarvan.  Omdat Fienieg zegt dat het hem gaat om wat we onder spiritualiteit verstaan, zou het interessant zijn geweest te weten waar hij zijn opvatting over spiritualiteit op baseert. Helaas zegt hij daar niets over. Zijn verder, zeer leesbare en interessante bijdrage gaat vooral over hoe die spiritualiteit zich in onze samenleving ontwikkelt.

Ook in de bijdrage van de (para)psycholoog Titus Rivas neemt de omschrijving van spiritualiteit een belangrijke plaats in. Hij verstaat daaronder “een levenshouding waarbij het aardse leven wordt opgevat als iets dat verband houdt met een ruimere, geestelijke werkelijkheid” (blz. 35). Deze omschrijving komt in zoverre met die van Van IJssel overeen dat het bij Rivas gaat om een interpretatie van de werkelijkheid en om een levenshouding. Dit maakt de vraag nog interessanter hoe hij zijn spiritualiteit verbindt met de idealen van het boek.
Hij doet dat door twee soorten spiritualiteit te onderscheiden: collectieve en individualistische spiritualiteit. De eerste is er op gericht “het individu ook in geestelijke zin ondergeschikt te maken aan het grotere geheel” (blz. 36),  terwijl de tweede gericht is op “de belangen van individuen en hun relaties met andere individuen” waarbij  spirituele concepten als persoonlijke onsterfelijkheid, groei en liefde centraal staan (blz. 37). Beide vormen van spiritualiteit, beide levenshoudingen, zijn dus consequenties van de wijze waarop de geestelijke werkelijkheid wordt opgevat en in verband wordt gebracht met het aardse leven. De inhoudt van die opvatting bepaalt daarbij in hoeverre er een relatie is met de idealen van het boek.
Rivas is er met andere woorden goed in geslaagd spiritualiteit te verbinden met thema’s als rechtvaardigheid, menslievendheid, etc.

De voormalige arts Frits van Haeften vat spiritualiteit in zijn bijdrage op als een “beweging van de menselijke geest om buiten de grenzen van de natuur te treden en deel te krijgen aan een andere, transcendente werkelijkheid. [...] [Dit] vereist een speciale wijze van waarnemen, een contemplatieve houding en een openheid van geest” (blz. 119-120). Zijn omschrijving van spiritualiteit komt overeen met die van Van IJssel voor zover hij het daarbij ook heeft over ervaringen met betrekking tot het transcendente en over het beoefenen van praktijken (praxis).
Het is in die praktijken dat een relatie met de idealen van het boek worden gelegd. Zo doen zich bij de speciale wijze van waarnemen “waarden en emoties gelden, behorende bij schoonheid, waarheid, moed, trouw, liefde en gerechtigheid” (blz. 120), terwijl contemplatie eerbied en liefde met zich mee brengt: “een schroomvallige betrokkenheid bij het leven en de dingen om ons, bij een wereld die niet meer tegenover, maar met ons is” (blz. 123). Openheid, tenslotte, leidt onder andere tot socialiteit  maar bovenal tot “het goede, de liefde en wat ons heilig is” (blz. 124).
Ook Van Haeften laat dus zien dat spiritualiteit op een natuurlijke wijze kan worden verbonden met de idealen van het boek.

Voor de theoloog Koos Leemker is er bij spiritualiteit sprake van “betrokkenheid op het Onvoorwaardelijke, op het Geheim, op God. In die betrokkenheid,” zo vervolgt hij, “zit een actief en een passief moment. In de ascese gaat het initiatief van de mens uit. Het accent ligt daarbij op oefening, op handelen, op doen. [...]. In de mystiek gaat het initiatief meer van God uit, alhoewel de mens er wel voor open moet staan” (blz. 201). Van de behandelde omschrijvingen komt deze, zeker in zijn benadrukking van het actieve en het passieve, het dichts bij de definitie van Van IJssel.
De relatie van deze omschrijving tot de idealen van het boek komt tot uiting in Leemkers omschrijving van ascese. Daar behoren niet alleen gebed en meditatie toe, maar ook het verrichten van goede daden. Deze laatste worden bepaald door de relatie die de mens tot God heeft. Omdat hij beeld van God is, heeft hij enerzijds “een grote verantwoordelijkheid – vanwege zijn verstand en zedelijk besef – voor het behoud van de schepping.” Omdat hij “als schepsel gelijkwaardig is aan andere schepselen”, is voor hem anderzijds al het geschapene – “de dieren de planten, de levenloze natuur, de elementen en de planeten” – even waardevol, en daar behoort hij naar te handelen (blz. 202, 204).
Doordat de relatie met God voor Leemker een intrinsiek element van spiritualiteit is, is er een direct verband tussen de actieve betrokkenheid die deze relatie met zich mee kan brengen en de idealen van het boek.

Hoewel ik maar vier van de drieëntwintig bijdragen heb besproken, zijn die wat mij betreft exemplarisch voor de kwaliteit van de zestien in dit boek opgenomen essays. De zeven interviews onderscheiden zich daarvan, doordat hun inhoud over het algemeen veel dichter bij de persoon van de geïnterviewde staat en omdat ze nu eenmaal zelden de diepgang van een essay kunnen benaderen. Ik bedoel dit niet als kritiek. Juist de afwisseling van essay en interview zorgt ervoor dat dit boek meer is dan een interessante verhandeling over een te weinig besproken vraagstelling: het is goed geschreven en prettig leesbaar. Een aanrader dus!

auteur Ilja Maso


cover boekISBN 978-90-807795-3-2. (te bestellen via: http://stores.lulu.com/engagement). Sinds 2013 zijn de essays apart via een e-book bij bol.com te verkrijgen.