Wie durft de lucht eruit te laten?
Een gesprek over boeren brengt me, tegen wil en dank, terug bij iets algemeners: de menselijke neiging om opgeblazen zaken niet te willen doorprikken. Niet omdat men de leugen niet ziet, maar omdat het zien ervan iets van onszelf blootlegt dat we liever niet blootgelegd zien.
Opgeblazen groente
Neem het voedsel. Biologische groente, zonder bestrijdingsmiddelen en kunstmest geteeld, is voedzaam als elke andere. Ze oogt alleen minder perfect en weegt minder, opgeblazen door water en kunstmest zoals de gangbare variant vaak is. Die twee dingen -oog en gewicht- bepalen echter grotendeels wat de consument bereid is te betalen, terwijl ze niets zeggen over wat het lichaam ermee opschiet. De kleine premie die daaruit voortvloeit, telt op tot enorme bedragen voor wie verderop in de keten zit, terwijl de burger er niet beter van wordt en de belastingbetaler de rekening van het overschot en de vervuiling betaalt. Het cliché "de meute wil belazerd worden" verklaart dit te makkelijk. Preciezer is: de meute wil niet weten dat ze zelf meedoet aan het opblazen. Het is niet dat men bedrogen wíl worden, het is dat toegeven aan het bedrog betekent toegeven aan de eigen behoefte om onder de indruk gemaakt te worden.
Kinderlijke bewondering
Die behoefte is kinderlijk, in de goede en de kwetsbare betekenis van het woord. Een kind wil imponeren en geïmponeerd worden, dat hoort bij het opgroeien. Blaas een ballon op en het kind is blij. Het probleem ontstaat pas wanneer volwassenen dat patroon nooit afleggen en het inzetten op grote schaal: opgeblazen groente, opgeklopte cijfers over onmisbare sectoren, gebakken lucht in advertenties en beleidsverhalen. Steeds hetzelfde mechanisme, telkens een ander decor.
Projectie
Die overdracht gaat zelden bewust. Als kind hebben we zelf vroege indrukken opgedaan van boerderijdieren, geur, ruimte en die indrukken raakten ons, ook al wisten we niet precies waarom. Als ouder willen we onze eigen kinderen diezelfde ontroering gunnen en dat is niet zuiver onbaatzuchtig: we worden zelf opnieuw geraakt door hun kinderlijke verwondering, alsof we via hen terug mogen naar het moment vóór alle kennis over wat er werkelijk op een boerderij gebeurt. Er zit ook een geruststellende functie in. We willen het kind meegeven dat de wereld een veilige plek is, mét wat stinkende zaakjes -de mest, het geblaat, het onbehaaglijke- maar zaakjes die met een beetje voorzichtigheid best te dragen zijn. Zo wordt de projectie een dubbele geruststelling: voor het kind dat de wereld draaglijk lijkt en voor de ouder die de eigen jeugdindruk bevestigd ziet in het kind.
De kinderboerderij
Datzelfde decor waarin die projectie zich voltrekt, is de kinderboerderij in de stad: een vreedzame miniatuur van het boerenleven, een kleine, aaibare versie van wat op het platteland op schaal wordt uitgevoerd. Het doorsnee-kind komt daar zelden, het ziet het hooguit van een afstand mee, vanuit het kinderzitje of achter de autoruit, een glimp die precies genoeg is om onder de indruk te blijven en nooit genoeg om te weten wat er werkelijk gebeurt. Zo leren we al vroeg dat het beeld van iets net zo overtuigend kan zijn als het ding zelf, vaak overtuigender, omdat het beeld is opgeschoond tot wat mensen willen zien.
Het sprookje van de keizer
Het is dezelfde jeugd die twee kanten op kan: opgevoed tot bewondering voor het beeld, zoals op de kinderboerderij, of nog onbevangen genoeg om hardop te zeggen wat ze ziet, zoals het jochie in het sprookje van de keizer. In het sprookje wordt dat kind niet gestraft, hooguit genegeerd tot de waarheid niet meer te ontkennen is. In de werkelijkheid ligt dat anders. Wie de show doorprikt, wordt niet genegeerd maar aangevallen en niet alleen door wie garen spint bij de illusie, ook door wie zelf beetgenomen is en dat liever niet onder ogen ziet. De boodschapper wordt in de echte wereld gestraft omdat hij een spiegel voorhoudt die niemand ontloopt, de keizer niet en de omstanders niet.
Een leven lang gelijk willen hebben
Wie de illusie doorziet, vraagt daarmee onbedoeld iets groots van de ander: erkennen dat een leven lang kijken, kopen en geloven op een vergissing berustte. Dat is geen kleine correctie, het raakt aan wie iemand meent te zijn. Vandaar de felheid waarmee de boodschapper wordt weggezet, niet uit domheid, maar uit zelfbehoud. Wie dat begrijpt, kan de ander confronteren zonder te veroordelen: niet "je had het mis", maar "wat je zag was echt voor jou en toch klopt het beeld niet meer met wat feiten laten zien". Dat onderscheid maakt de aanvaring milder, al blijft de aanvaring vaak onvermijdelijk.
Vrijheid als lokmiddel
Er is echter een reden waarom mensen zo'n correctie ook wíllen aanvaarden: verandering van inzicht wordt pas welkom wanneer ze meer vrijheid oplevert, niet minder. Terug naar de groente: wie beseft dat biologisch voedsel op de lange duur goedkoper uitpakt -mits de vervuiler betaalt in plaats van de gangbare producent te blijven voortrekken en mits je er minder van nodig hebt omdat het per eenheid meer gezonde ingrediënten bevat- wint iets tastbaars. Minder moeite met prepareren, minder een vol en zwaar gevoel omdat je ook jezelf minder volpropt. Zo'n inzicht vraagt niet alleen om afstand doen van een illusie, het geeft er iets concreets voor terug. Dat is misschien de enige manier waarop ontluchten aantrekkelijk wordt: niet als verlies van het beeld, maar als winst aan ruimte.
Barsten die passen
De groente aan het begin van dit stuk oogde minder perfect, juist omdat er niets aan opgeblazen was. Een vlekje, een bocht, een insectenbeet die is dichtgegroeid, dat zijn geen gebreken die weggewerkt moesten worden zoals de gangbare groente wordt opgeblazen om er feilloos uit te zien. Het is het bewijs dat de plant een aanslag op haar natuurlijke perfectie heeft doorstaan en zelf heeft hersteld, zonder kunstmatige hulp. Precies dat vermogen tot herstel is wat wij binnenkrijgen wanneer we haar eten: een plant die zichzelf heeft kunnen genezen, draagt de stof over waarmee ook een lichaam zichzelf herstelt. De imperfectie is dus niet ondanks de gezondheid van het voedsel, ze is er het bewijs van.
Datzelfde geldt voor een mensenleven. Wie werkelijk geleefd heeft, draagt kleine beschadigingen: een verkeerde keuze, een teleurstelling, een litteken dat niet is weggewerkt. Wat de Japanse kintsugi-kunst doet met een gebarsten kom -de breuklijn met goud accentueren in plaats van verbergen- doet een mensenleven met zijn littekens op dezelfde manier: niet het gladgestreken oppervlak, maar juist de zichtbare breuk vertelt dat er iets is doorstaan en overleefd. En in een mozaïek is het de barst in een steen die hem laat aansluiten op de steen ernaast, niet ondanks de onregelmatige vorm, maar dankzij haar. Zo vormen ook mensen met hun eigen, ongelijke beschadigingen samen een beeld dat geen enkele gladgestreken steen alleen had kunnen vormen.
Zelf ontluchten
Daar zit voor mij de kern en ook de reden om het niet te lang uit te spinnen als eigen onvrede: wie vanaf de zijlijn wijst naar de kinderlijke bewondering van anderen, doet zelf ook mee aan een vorm van imponeren, namelijk het imponeren met eigen doorzicht. Er is een andere manier: niet beweren dat je de waarheid ziet en de ander niet, maar simpelweg wegnemen wat niet klopt en kijken wat overblijft. Dat is geen daad van boven af, het is naast de ander gaan staan en samen constateren dat de keizer met zijn kouwe kak alleen zichzelf heeft aangekleed. Niemand ontsnapt aan de behoefte om af en toe onder een romantische indruk geraakt te worden, ikzelf niet en ook niet wie met mij meedenkt en gevoed is met alles wat mensen hebben voortgebracht. Het enige verschil dat ertoe doet, is of je bereid blijft de lucht die je zelf gulzig hebt binnengelaten, af en toe weer te laten ontsnappen.
.