Over naar binnen kijken om de ander te zien
De ander verschijnt waar jij verdwijnt
Namasté
Hindoeïsten en Boeddhisten begroeten elkaar met namasté. Daarmee willen ze aangeven dat ze in elkaar het licht zien, de vonk van eenheid die in ieder mens aanwezig is. Wij westerlingen zien vooral in elkaar de projectie van wat wij willen zien. Beide manieren kunnen op hetzelfde neerkomen: niet omdat ze inhoudelijk gelijk zijn, maar omdat ze beide onbewust kunnen worden uitgevoerd. Het gebaar van namasté kan een lege vorm worden en de westerse projectie blijft meestal onopgemerkt. In beide gevallen zie je de ander niet zoals hij is: je ziet wat je gewend bent te zien.
Het ego dat alleen in taal bestaat
Het ego bestaat niet als een ding, maar wel als een manier van kijken. Het heeft geen werkelijkheid, hoogstens een plek in de taal en toch structureert het de hele manier waarop we elkaar zien. We projecteren een ego op de ander, zonder te beseffen dat de ander dat ook bij ons doet. En ondertussen zijn we ons nauwelijks bewust van ons eigen ego. Drie lagen van onbewustheid die zich tegelijk afspelen.
Maar hier komt een onverwachte wending: het is uiteindelijk niet zo erg. Want wat we op elkaar projecteren bestaat in werkelijkheid niet. In de non-dualiteit is er geen afgescheiden ander en dus ook geen afgescheiden jij. De zoektocht naar jezelf veronderstelt immers een zoeker die gescheiden is van wat hij zoekt. Maar die scheiding heeft nooit bestaan. Er is nooit een afgescheiden zelf geweest dat gevonden moest worden. De inspanning van de spirituele weg is daarom niet gericht op het oplossen van iets, ze valt vanzelf weg op het moment dat je ziet dat er niets te zoeken was. Dat de scheiding niet werkelijk is, betekent niet dat ze niet wordt gevoeld. Zolang we haar leven, heeft ze alle gevolgen van de werkelijkheid.
De onverwerkte pijn die meekijkt
Onze waarneming wordt niet alleen vertroebeld door het ego, maar ook door wat we met ons meedragen. Ieder mens heeft een laag van onverwerkte ervaringen: oude pijn die nog niet is verwerkt of vergeten en die ons attent maakt op gevaren die misschien allang zijn geweken. Die ervaringen kleuren wat we zien. Wie of wat ons ooit heeft gekwetst, herkennen we in de ander, ook als die er niets mee te maken heeft. We reageren niet op wat er is, maar op wat er was.
Dit is geen zwakte maar een overlevingsmechanisme. Het probleem is alleen dat het ons gevangen houdt in het verleden, terwijl we denken dat we het heden zien. Eckhart Tolle noemde dit het pijnlichaam: een verzameling onverwerkte ervaringen die als een filter werkt tussen ons en de werkelijkheid. Ook dat is een constructie die alleen in taal een naam heeft gekregen, maar waarvan de werking heel reëel is. De lens waardoor we kijken draagt de sporen van alles wat we hebben meegemaakt.
De apenrots van het bewustzijn
Mensen verschillen sterk in de mate waarin ze zich bewust zijn van hun eigen projecties. Maar bewustzijn alleen is geen garantie voor vrijheid ervan. Want ook dat bewustzijn kan worden ingezet als positie op de apenrots. Wie zegt "ik zie mijn projecties" plaatst zich daarmee al een trede hoger dan degene die dat nog niet ziet. De apenrots verdwijnt niet in spiritueel bewuste kringen, hij krijgt alleen een verfijnder vocabulaire.
Projectie is namelijk niet alleen een manier van kijken, het is ook een sociaal instrument. We gebruiken het om onszelf te positioneren, ten opzichte van de ander, ten opzichte van de groep. Wie de ander neerzet als onbewust of naïef, bevestigt daarmee de eigen positie. En hoe hoger de idealen in een groep, hoe meer er te winnen valt op de hiërarchie van bewustzijn. Spiritualiteit is daar niet immuun voor, eerder het tegendeel.
Verliefdheid en idealen: de mooiste projecties
Projectie heeft ook een lichtere, verleidelijkere kant. Verliefdheid is misschien wel de krachtigste vorm ervan: je projecteert het beeld van de volmaakte ander en dat beeld geeft vleugels. Hetzelfde geldt voor idealen, het beeld van een betere wereld, een rechtvaardigere samenleving, een leven dat klopt. Beide werken motiverend, soms verslavend. Ze geven richting en energie, een reden om je in te zetten.
En toch lopen ze vroeg of laat stuk op de werkelijkheid, die zich niet naar het beeld voegt. Die teleurstelling voelt als verlies en dat is het ook, want iets wat je houvast gaf verdwijnt. Maar in dat verlies zit ook een uitnodiging. Niet omdat lijden goed voor je is, maar omdat de pijn precies wijst naar de plek waar de liefde nog niet vrij kan bewegen. Waar je aan vasthoudt, zit een blokkade. En een blokkade die zichtbaar wordt, kan worden losgelaten. Zo wordt het einde van een illusie niet alleen een afscheid, maar ook een opening naar iets echters.
De paradox van vrijheid
Inzicht in projectie kan bevrijden, maar het kan ook verleiden. Wie begrijpt hoe het mechanisme werkt, loopt het risico dat begrip in te zetten als instrument. Je ziet hoe de ander projecteert, je doorziet het patroon en ongemerkt gebruik je dat inzicht om jezelf te positioneren, of om de ander te sturen. De apenrots verdwijnt niet door inzicht, hij wordt alleen subtieler.
Dit is de paradox van vrijheid: het streven ernaar kan een nieuwe vorm van onvrijheid worden. Vrijheid die wordt nagestreefd ten koste van de ander is geen vrijheid: het is een verfijnder ego. Want vrijheid en liefde zijn niet los verkrijgbaar. Wie vrijer wordt ten koste van de verbinding, heeft niet gewonnen maar verloren.
Echte vrijheid ontstaat niet door je los te maken van de ander, maar door de blokkades weg te nemen die de verbinding in de weg staan. Dat is een beweging naar binnen, niet naar buiten. En ze vraagt voortdurend om eerlijkheid, niet over de ander, maar over jezelf.
Het ego aan het woord
En dan is er nog de wens om te verwoorden zelf. Ook die is een ego-ding, want het ego leeft alleen in taal. Dit essay is daarop geen uitzondering. Wie schrijft over projectie, projecteert. Wie de ander wijst op zijn onbewustheid, doet dat vanuit een bewustheid die ook zijn grenzen heeft. Dat is geen reden om te zwijgen, maar wel om bescheiden te zijn over wat woorden kunnen dragen.
Want we luchten ons hart en dat is menselijk en gezond. De vraag is alleen hoe. Wanneer we spreken zonder de ander te beschadigen, zonder onze inzichten als wapens te gebruiken, wordt taal een doorgang in plaats van een scherm.
De stilte die overblijft
En wat overblijft na de taal is stilte. Geen leegte, maar rust. De rust van iemand die even niets hoeft te bewijzen.
Misschien is dat uiteindelijk wat namasté bedoelt, niet als gebaar, maar als werkelijkheid. Niet de claim "ik zie jou zoals je bent", maar een uitnodiging: ik oordeel niet over jou, want het licht in jou is hetzelfde als het licht in mij. De beoordelaar trekt zich terug en daardoor ontstaat er ruimte. Niet omdat ik jou doorzien heb, maar omdat jij je veilig genoeg voelt om jezelf te laten zien. Dat moment is zeldzaam. Maar het bestaat.