Hoe gaat het? Kan beter en dan?
Over meeleven zonder aandikken
Een goede vriendin van mij begint elk gesprek met “hoe gaat het”. Zeg ik “goed”, dan vraagt ze vrijwel altijd door: “ja, maar hoe gaat het nu echt?” Ik begrijp wat ze bedoelt, iets als “ik wil je de ruimte geven als er meer speelt”. Maar ergens werkt het averechts. Als het niet goed met me zou gaan, zou ik het direct zeggen. Niet uitgebreid, niet dramatisch. Gewoon even: het zit me niet mee.
Dat is alles wat ik nodig vind. En dat is precies wat de meeste mensen zich niet lijken te beseffen: dat eerlijk antwoorden geen uitnodiging is tot een lang gesprek. Twee woorden zijn genoeg: kan beter.
Eerlijk antwoorden is niet hetzelfde als hulp vragen. Het is ook geen klacht. Het is eerder even laten weten dat je niet op je best bent, niet om aandacht te trekken, maar om de ander niet in het ongewisse te laten. Want de meeste mensen merken toch wel dat er iets is. Ze zien het aan je gezicht, aan hoe je beweegt, aan wat je niet zegt. Dat eerlijke antwoord neemt die onzekerheid weg. Het zegt: ja, je ziet het goed. Meer niet.
Laten weten dat je op de hoogte bent
We hebben eigenlijk al een model voor een belangrijke droevige mededeling. Wanneer iemand een geliefde heeft verloren en je komt diegene tegen, zeg je “gecondoleerd”. Wat dat woord in feite betekent is: ik weet van jouw verlies en jij bepaalt zelf of je er iets over wilt zeggen. Het is een erkenning zonder uitnodiging. De ander hoeft geen verhaal te doen, geen tranen te verklaren, geen dankbaarheid te tonen. Het verlies bestaat, het is gezien en het leven gaat verder. Dat is geen onverschilligheid, het is respect.
Wat “gecondoleerd” zo goed doet werken is dat het een gedeelde code is. Iedereen weet wat het betekent en wat er níet mee gevraagd wordt. Het ontlast beide kanten tegelijk. Voor de lichtere, diffusere vormen van tegenzitten bestaat zo’n code niet. Daar komen we op terug.
Over het gebaar dat niet vraagt
Want na de condoleance verdwijnt de code. Na een week of drie wordt er niet meer naar gevraagd. Het leven gaat “gewoon” door en degene die nog steeds verzwaard is heeft geen woorden meer die dat benoemen zonder uit te leggen.
Voor iets als het verlies van werk of een relatie bestaat wel een reactie: “dat is balen”, “wat vervelend”, maar ook die reactie is snel uitgewerkt.
En dan is er nog de zwaarte zonder aanwijsbare oorzaak. De periode waarin je gewoon niet op je best bent, zonder dat je precies kunt zeggen waarom. Daarvoor bestaat helemaal niets. Geen woord, geen gebaar, geen gedeelde code. Die zwaarte is te klein voor therapie en te groot voor smalltalk. Ze verdwijnt daardoor in de stilte en de omgeving merkt alleen dat je wat stiller bent dan anders.
En toch is het niet zo moeilijk. Wanneer je iemand tegenkomt die je kent en je voelt dat er iets is -niet omdat diegene staat te huilen, maar omdat er iets ontbreekt in hoe hij of zij er normaal bij is- dan volstaat vaak een non-verbaal gebaar. Een knipoog die zegt: ik zie je. Een gefronst voorhoofd dat zegt: dat is balen. Een armgebaar dat zegt: ik sympathiseer, maar je hoeft er niets mee. Geen woorden, geen vraag, geen verwachting. De ander kan er iets op zeggen of niet, beide is goed. En omgekeerd: wie zelf even niet op zijn best is, hoeft alleen maar even te laten weten dat het zo is. Een korte zin, een schouderophalen. Meer is niet nodig. De regie blijft bij jouzelf.
Het tegenzittende leven hoeft niet altijd zwaar te worden genomen door anderen. Niet omdat tegenspoed niet bestaat, die bestaat en soms is ze ingrijpend. De last wordt vaak groter wanneer mensen niet weten hoe ze iets kunnen erkennen zonder er een groot gesprek van te maken. Niet het verzwijgen van geheimen, maar het zwijgen van mensen die niet weten hoe ze iets klein mogen laten zijn.
Een seintje geven kost bijna niets. Een seintje ontvangen ook. Wat het oplevert is meer dan je zou verwachten: het gevoel dat je gewoon jezelf kunt zijn, ook op de dagen dat dat iets minder is dan anders.
.