Ongrijpbaar blijven en gezien willen worden
Integriteit, ontwijking en de moed om aanwezig te blijven
Twee soorten ongrijpbaarheid
Er zijn mensen die je niet kunt pakken en je weet niet goed of dat bewonderenswaardig is of irritant.
Ze ontwijken geen vragen omdat ze niets te zeggen hebben. Ze ontwijken ze omdat ze weigeren zich te laten vastpinnen. Ze kiezen hun woorden zorgvuldig, niet om indruk te maken, maar omdat ze weten dat woorden consequenties hebben. Ze stemmen niet mee in het gelach als dat gelach ergens overheen walst. Ze corrigeren ook niet luidkeels. Ze zijn gewoon... niet mee. Aanwezig en tegelijk niet te vangen.
Dat is één soort ongrijpbaarheid. De soort die voortkomt uit integriteit.
Maar er is een andere soort, die er oppervlakkig op lijkt maar van binnenuit heel anders werkt. De ongrijpbaarheid van mensen die zich onttrekken -niet uit kracht-, maar uit ongemak. Die lachen om wat eigenlijk pijnlijk is, omdat stilte zou betekenen dat ze iets moeten voelen, iets moeten herzien, iets moeten loslaten. Die terugverlangen naar een tijd die overzichtelijker aanvoelde, zonder zich te herinneren -of te willen herinneren- wie er toen buiten de overzichtelijkheid viel.
Dit zijn twee vormen van ongrijpbaarheid die we door elkaar zien lopen. In gesprekken. In politiek. In onszelf.
Het kind dat niemand kon aantikken
Soms begint het vroeg.
Een groep kleuters speelt slingertikkertje. Eén kind is zo snel en beweeglijk, zo onvoorspelbaar, dat niemand het kan aantikken. Niet omdat het zich verstopt. Niet omdat het vals speelt. Het is gewoon snel, voluit aanwezig en toch ongrijpbaar. Op een gegeven moment moet de juf het spel stilleggen. De groep kan hem niet raken en pakken.
Want ongrijpbaarheid die uit beweging voortkomt, uit aanwezigheid, uit een soort natuurlijk ritme dat niet samenvalt met wat de groep verwacht, die laat zich niet vangen. Die wordt alleen maar bewuster. Dat krijgt mettertijd een naam, een richting, een ethiek.
Het kind dat niemand kon aantikken werd de mens die niet mee instemt, maar ook niet luidkeels tegenspreekt. Die aanwezig is zonder zich te laten vangen. Niet uit sluwheid. Niet uit arrogantie. Maar omdat hij vroeg leerde dat de groep niet altijd de maat is.
Maar wat de groep vraagt is niet alleen aanpassing in gedrag, maar ook in stemming. Positief zijn. De rauwe kanten van het bestaan gladstrijken tot iets wat de omgeving aankan. Er zijn mensen die je willen omvormen, niet tot een betere versie van jezelf, maar tot een aangenamere. Tot iemand die meezingt in het koor van het grote ja. Wie neutraal blijft waar vrolijkheid verwacht wordt, wie de werkelijkheid aanziet zonder haar meteen te verlichten, wordt al gauw behandeld als iemand met een tekort. Als iemand die aan positief denken toe is.
Maar neutraliteit is geen gebrek aan warmte. Het is de houding van wie de werkelijkheid binnengaat zonder haar eerst bij te schaven.
Een cultuur die al ingericht was
Ieder kind dat opgroeit betreedt een wereld die al ingericht is. Niet door slechte mensen, maar door eeuwen van gewoontevorming en door het gebrek aan emancipatie dat daarin besloten lag. De cultuur die het kind aantreft is geen neutraal gegeven. Ze is gevormd door wie de macht had om te bepalen wat normaal was, wat goed was, wat vooruitgang heette.
De opdracht om positief te zijn is dus niet alleen een persoonlijke voorkeur van de omgeving. Het is een cultureel verdedigingsmechanisme: wie neutraal blijft, wie de werkelijkheid onbewerkt aanziet, bedreigt onbewust de gevestigde orde. Niet door te rebelleren, maar simpelweg door niet mee te bevestigen.
Wat kost het een kind om neutraal te blijven in een cultuur die dat als tekortkoming ziet? En wat kost het een cultuur als ze dat kind alsnog omvormt?
Stappen achteruit
Diezelfde cultuur heeft de aarde verkend en uitgebuit. Ze at vlees, verbrandde fossiele brandstoffen en vloog de wereld over. Niet omdat de mensen die dat deden slecht waren. Maar omdat het werkte. Omdat het welvaart gaf. Omdat het als normaal gold en omdat niemand de rekening zag die ondertussen werd opgemaakt.
Nu ligt die rekening open. En niemand heeft haar persoonlijk getekend.
Dat is een onaantrekkelijke positie. Niet ondraaglijk, want de mens die achteruit kan stappen is beweeglijker dan de mens die dat niet kan. Maar onaantrekkelijk, ja. Want terugstappen betekent afstand doen van gewoonten die nooit bewust gekozen zijn, maar wel van jou geworden zijn. Vlees eten is niet alleen een gewoonte. Het is een ritueel van herkenning, van tafel, van thuis. Reizen is niet alleen consumptie. Het is verwondering, verbinding, het gevoel dat de wereld groter is dan jezelf. Die dingen zomaar opgeven vraagt iets wat op rouw lijkt, rouw om een symbolische wereld die je nooit hebt ontworpen maar wel hebt bewoond.
Veel van de weerstand die we zien komt niet voort uit onwetendheid of onwil. Ze komt uit het ontbreken van een taal voor die rouw. En wie geen taal heeft voor wat hij verliest, grijpt naar wat hij kent: het verlangen naar vroeger, naar de tijd dat de rekening nog niet geopend hoefde te worden.
Maar terugverlangen is iets anders dan terugstappen. Terugverlangen is een vlucht uit het heden. Terugstappen is een beweging vanuit het heden, beweeglijk, onaantrekkelijk soms, maar niet zonder richting.
Een beschaving die alleen vooruit wíl, kan niet manoeuvreren. Daarin zit veel oneigenlijke dwang. De flexibiliteit om terug te stappen -in aanspraken, in zekerheden, in gewoonten die ooit werkten- is geen teken van zwakte. Het is een teken van volwassenheid.
De derde weg
Maar die bewustwording brengt een spanning mee die niet verdwijnt.
Want ongrijpbaar zijn uit integriteit is geen rustige toestand. Er zijn momenten waarop gelach om een serieuze zaak klinkt, waarop klimaatcijfers worden weggewuifd met een grap, waarop de tafel vol zit met mensen die collectief iets niet willen weten en dan is de keuze niet eenvoudig. Meelachen is verraad. Luidkeels corrigeren werkt averechts: de ander hoort dan alleen de toon, niet de inhoud en de boodschap is alweer vergeten voor de zin is afgemaakt.
Wat blijft is een derde weg, smaller dan ze klinkt: aanwezig blijven zonder mee te gaan. Een zin zeggen die gewoon waar is, zonder verontschuldiging en zonder aanval. Of zwijgen -niet uit lafheid, maar als bewuste keuze- en de ruimte laten voor wat er net gezegd werd, zonder het te bedekken met instemming.
Dat is moeilijker dan boosheid. En het voelt soms als te weinig.
Maar er is een verschil tussen leegte als keuze en leegte als capitulatie. Zwijgen omdat je de ruimte bewust open laat is iets anders dan zwijgen omdat je je klein maakt. Het eerste is een vorm van getuige zijn, aanwezig zonder toe te eigenen, aanwezig zonder te overweldigen en neutraal, niet positief. Getuige zijn betekent niet dat je de werkelijkheid verzacht tot iets draaglijks. Het betekent dat je haar laat zijn wat ze is. Het tweede is verdwijnen. En degene die vroeger niet te vangen was verdwijnt niet zo makkelijk.
Het verlangen naar vroeger
In de politiek speelt hetzelfde, op een schaal waarop de gevolgen zwaarder wegen.
Veel mensen -en het lijken er steeds meer te zijn- willen terug. Niet naar een concreet verleden, maar naar een gevoel. Overzichtelijkheid. Herkenbaarheid. Een wereld die wist waar ze aan toe was. Dat gevoel was echt.
Maar het gevoel en de feiten zijn twee verschillende dingen. Die overzichtelijke wereld werd mede mogelijk gemaakt door uitsluitingen die inmiddels onacceptabel zijn. Vrouwen die thuis moesten blijven. Homo's die zwegen in de kast. Arbeiders die geen keus hadden. Dieren wiens vrijheid niet meetelde. Een koloniaal systeem dat zijn nadelen netjes buiten de boekhouding hield.
Wie dat benoemt wordt al snel weggezet als elitair, als betuttelend, als iemand die het verleden zwarter maakt dan het was. Maar het omgekeerde is ook waar: wie het ontkent maakt het lichter dan het was. En de nostalgie die daaruit voortkomt is, juist, een vorm van ongrijpbaarheid, niet de vrijheid van het kind op het schoolplein, maar de ontwijking van de volwassene die liever niet herinnerd wil worden.
Het populisme van deze tijd biedt grip. Op grenzen, op identiteit, op een wereld die weer herkenbaar moet worden. Maar die grip is illusoir, ze grijpt naar iets wat er nooit zo was als het herinnerd wordt. En ze ontwijkt daarmee precies de vragen die het hardst gesteld moeten worden: wat wil je beschermen, voor wie en ten koste van wat?
Autonomie en verstening
Naarmate mensen ouder worden verscherpt dit dilemma zich, maar het verschuift ook.
De mens die tientallen jaren geleefd heeft weet wat hij wel en niet meer wil. Hij wil niet meer instemmen uit beleefdheid. Hij wil niet meer zijn tong afbijten als iets hem werkelijk raakt. Hij wil voor zichzelf kiezen: voor zijn eigen waarheid, zijn eigen tempo, zijn eigen grenzen. Dat is geen eigenwijs worden. Dat is rijpen.
Maar autonomie en ongrijpbaarheid zijn niet hetzelfde. Autonomie zegt: ik kies voor mezelf. Ongrijpbaarheid uit integriteit zegt: ik kies voor mezelf en blijf toch aanwezig voor de ander. Die combinatie is zeldzamer dan ze klinkt.
Want de verleiding bestaat -ook bij mensen met goede bedoelingen- om autonomie te verwarren met onkwetsbaarheid. Om zich zo te omgeven met eigen gelijk dat er geen ruimte meer is voor twijfel, voor het ongemakkelijke argument, voor de ander die misschien iets weet wat jij niet weet. Dat is niet meer de bewegelijkheid van het kind op het schoolplein. Dat is verstening en verstening is, hoe zacht ook, ook een vorm van vlucht.
Maar er is nog een andere verleiding, stiller dan verstening en daarom moeilijker te herkennen. De behoefte om gezien te worden in je ongrijpbaarheid. Niet aangetikt, maar wel opgemerkt. Bewonderd om het niet-meedoen. Dat is het moment waarop integriteit en ego elkaar raken en soms verwisseld worden.
Kiezen waarom je beweegt
De twee soorten ongrijpbaarheid lijken op elkaar. Van buitenaf zijn ze soms nauwelijks te onderscheiden. Maar van binnenuit is het verschil voelbaar.
De een beweegt omdat ze leeft. De ander ontwijkt omdat ze stil wil staan.
De een weigert zich te laten vangen omdat ze ergens voor staat. De ander laat zich niet pakken omdat pakken aan gemis doet denken.
De een is aanwezig, voluit, riskant, soms onhandig. De ander is er ook, maar eigenlijk niet.
En het mooie -en het moeilijke- is dat niemand altijd de eerste en de slimste en de wijste is. Iedereen schuift weleens weg van wat te veel vraagt. Iedereen lacht weleens mee om wat eigenlijk respect verdient. Iedereen heeft weleens terugverlangd naar een eenvoud die er misschien nooit zo was.
Dat maakt de vraag niet minder dringend. Het maakt haar alleen eerlijker.
Wat overblijft
Wie aan het laatste deel van zijn leven begint merkt dat de vragen veranderen. Niet langer: hoe blijf ik ongrijpbaar? Maar: wat wil ik nog vasthouden en wat mag ik loslaten?
Het kind dat niemand kon aantikken hoefde daar niet over na te denken. De beweging was er gewoon. De vrijheid ook. Maar het leven stelt vragen die snelheid niet beantwoordt. Het vraagt om te weten waarom je beweegt en of je bereid bent stil te staan zonder te verstenen.
Loslaten is niet verdwijnen. Het is afstand doen van de behoefte om gezien te worden in je ongrijpbaarheid. Van het ego dat zichzelf bevestigt in het niet-meedoen. Wat overblijft als dat loslaat is geen leegte maar iets lichters: aanwezigheid zonder bewijs. Beweging zonder publiek.
Dat is misschien wat integriteit op het einde betekent. Niet dat je altijd de juiste keuze maakte. Niet dat je nooit meelachte of wegkeek. Maar dat je bleef bewegen en langzaam leerde waarom.
.