Onkreukbaar uit angst
Een test, geen wet
Een beetje zwanger bestaat niet. Een beetje integer, zo blijkt, wel.
Wie vermoedt zwanger te zijn, twijfelt juist wel. Ben ik het, of ben ik het niet? Pas een test geeft uitsluitsel en dan weet ze het zeker: de toestand zelf kent geen tussenweg, ook al gaat er een periode van onzekerheid aan vooraf. Vraag en antwoord liggen hier dus uit elkaar. De vraag mag aarzelend zijn, het antwoord is dat niet.
Met integriteit lijkt dat eerst hetzelfde te liggen en de taal voedt die schijn. Integer komt van het Latijnse integer, heel, ongedeeld en in de wiskunde duidt hetzelfde woord de hele getallen aan. Een beetje heel getal bestaat inderdaad niet: 3 is 3, geen 3,4. Maar wat in de wiskunde wel bestaat, is het fenomeen van afronden. Een waarde van 3,4 wordt voor praktische doeleinden tot 3 gerekend, niet omdat ze werkelijk 3 is, maar omdat we haar zo behandelen. Dat is precies de figuur die bij integriteit opduikt: een mens is zelden zuiver heel, maar wordt, als de afwijking klein genoeg blijft, afgerond tot integer.
Het woord dat ontbreekt
Diezelfde gelaagdheid zit in een andere asymmetrie. We zeggen onkreukbaar, maar nooit kreukbaar als los te gebruiken woord. Kreukbaarheid, de vatbaarheid om te buigen onder druk, is kennelijk zo vanzelfsprekend dat er geen apart woord voor nodig is: het is de grondtoestand van ieder mens, de ruwe, niet afgeronde waarde. Pas de ontkenning ervan, het uitzonderlijke, krijgt een naam. Onkreukbaarheid eert dus niet de afwezigheid van een innerlijke strijd, maar de vorm die die strijd aanneemt: iemand die telkens weer zijn best doet om integer te zijn, ook al is hij, net als ieder ander, in beginsel kreukbaar en dus, strikt genomen, nooit helemaal heel.
Of-of en en-en
Achter de wens om als heel mee te tellen schuilt een dieper liggende voorkeur, een voorkeur die niet beperkt blijft tot integriteit. We zijn geneigd te denken dat of-of zuiverder is dan en-en. Iemand is eerlijk of oneerlijk, sterk of zwak, trouw of ontrouw en wie probeert te zeggen dat hij allebei tegelijk is, klinkt al snel als iemand die de zaak verdoezelt. En-en voelt aan als vervuiling van een heldere en zuivere lijn, als een weigering om kleur te bekennen.
Maar wie goed kijkt naar het woord integratie, ziet daar dezelfde wortel als in integer: ook integratie betekent het samenvoegen tot een geheel. Alleen ontstaat dat geheel hier niet door verschil weg te poetsen, maar door verschillende, soms tegenstrijdige elementen op een hoger niveau bijeen te houden. En-en-denken is dan niet de vervuilde, slordige variant van of-of, maar juist de vorm van heelheid die bij een werkelijk levend wezen past.
Een mens die zowel zorgvuldig als af en toe onzorgvuldig is, zowel moedig als soms bang, is niet minder heel dan iemand bij wie dat tegendeel zogenaamd ontbreekt, hij is heel op de enige manier die voor een veranderlijk wezen openstaat: als een samengestelde eenheid, niet als een onverdeelbaar punt.
De bemenser van een waakpost denkt in of-of. Voor hem is iedere afwijking een teken dat het geheel breekt: je bent het, of je bent het niet en het minste zwichten ontmaskert je als de tweede. De getuige denkt in en-en. Hij kan zien dat iemand toegewijd is en faalt, liefdevol is en soms tekortschiet, zonder die twee tegen elkaar te laten strijden om het laatste woord. Wat de waakpost als bewijs van breuk beschouwt, ziet de getuige als de normale textuur van een geïntegreerd leven.
Getuige en waakpost
Wie zich realiseert dat heelheid een afronding is en geen vaststaand gegeven, zou opgelucht kunnen zijn. Niemand hoeft volmaakt te zijn om integer genoemd te worden, het is genoeg om de inspanning vol te houden. Toch werkt deze gedachte niet voor iedereen bevrijdend. Voor wie van nature aan zichzelf twijfelt, kan precies dezelfde onbereikbaarheid van het geheel een bron van voortdurende dreiging worden. De afronding wordt nooit definitief, dus de controle erop hoeft ook nooit te stoppen.
Hier wordt het onderscheid tussen getuige en waakpost concreet. De waakpost bestaat om iets te voorkomen. De blik is altijd gericht op een mogelijke dreiging, hij scant op afwijking, op een teken van falen voordat het zich voordoet. Daarmee is de waakpost nooit echt bij wat er nu gebeurt, hij is altijd een stap vooruit, bezig te controleren of er iets misgaat. Dat is de structuur van angst: een blik die het heden verlaat om zich te wapenen tegen een toekomst die nog niet bestaat. Wie integriteit zo benadert, heeft zichzelf tot verdachte gemaakt en zichzelf tegelijk de taak gegeven om dat verdachte voortdurend in de gaten te houden.
De getuige daarentegen heeft geen agenda. Hij registreert wat er is, zonder meteen te oordelen of het goed of fout is, zonder al in te grijpen. Een getuige die een kreuk in zichzelf opmerkt, kan die simpelweg zien: ah, daar ben ik gezwicht, zonder dat die waarneming meteen een oordeel wordt dat om verdediging schreeuwt. De waakpost daarentegen kan een kreuk niet zien zonder paniek, want elke kreuk is in zijn ogen een gat in een verdediging die nooit had mogen falen.
Vormverlies is geen lek
Het is dus niet de inspanning die het verschil maakt, maar de motivatie eronder. Iemand kan evenveel moeite doen om integer te zijn vanuit liefde voor wat goed is, als vanuit angst om te falen. Van buitenaf is dat verschil nauwelijks te zien, van binnenuit is het enorm. De een doet zijn best omdat hij het waardevol vindt en kan rustig zien wanneer het niet lukt. De ander doet zijn best omdat het niet-lukken ondraaglijk zou zijn en moet daarom voortdurend controleren of het wel goed gaat, een controle die zelf al een vorm is van het zwichten die ze probeert te voorkomen.
Sommige schendingen van vertrouwen werken inderdaad niet evenredig met hun eigen omvang, zoals een lek in een vat: hoe klein ook, het ondermijnt het geheel. Die intuïtie klopt deels en juist daarom is de verleiding groot om elk klein zwichten te behandelen als een ramp. Maar wie zo redeneert, vergeet dat de meeste momenten van kreuken helemaal geen lek zijn. Vormverlies onder druk is iets anders dan verraad: de stof verliest tijdelijk haar rechte lijn, maar er gaat niets weg en er komt niets onherstelbaars binnen. Wie elke kreuk behandelt als een lek, is voortdurend in staat van paniek over iets dat meestal vanzelf weer rechttrekt.
Twee getuigen
Nergens wordt dit zo voelbaar als in een intieme relatie. Wie zijn karakter ervaart als een afgeronde, integere structuur en die structuur in een nabije verbinding met een ander brengt, zal vroeg of laat merken dat de onvolmaaktheid te voorschijn gaat lekken. De afstand die het dagelijks leven biedt, valt weg en wat eerst alleen het gladde geheel toonde, laat nu de ruwe, niet-afgeronde waarde zien: ongeduld, angst, een oude wond die plotseling meespreekt.
Of dat lek verwoestend werkt of juist verbindend, hangt af van het denkkader waarin het wordt opgevangen. Onder een of-of-blik is het lek een verraad van de afgeronde versie die er had moeten staan, het bewijs dat iemand toch niet was wie hij leek. Twee partners die elkaar zo bekijken, worden elkaars waakposten, voortdurend toetsend of de ander nog wel heel is en voortdurend zelf bang om ontmaskerd te worden.
Wanneer partners daarentegen overeenstemming kunnen vinden en die aanhouden, in evenwaardigheid, ontstaat er iets anders. Niet de een die over de ander waakt en niet de een die zich groter voordoet dan hij is, maar twee mensen die elkaar als even kreukbaar erkennen. Dan wordt het lek geen aanklacht, maar een gedeelde waarneming en wordt ieder voor de ander een tweede getuige. Dat is en-en in de praktijk: trouw zijn en tekortschieten, dragen en gedragen worden, zonder dat het een het ander hoeft te ontkrachten. Het resultaat is geen zuiverder heelheid in de of-of-zin, geen vlekkeloos geheel, maar een integratie: een heelheid die juist ontstaat doordat de onvolkomenheden zichtbaar mogen blijven en gedragen worden. Zo'n verbinding werkt helend en bestendigend en de getuige hoeft er nooit voor de waakpost te wijken.
Nooit helemaal heel
Er is nog een reden waarom de waakpost een onmogelijke opdracht heeft, ook wanneer hij door twee mensen samen bemand zou worden. Een mens kent zichzelf nooit volledig, hij is geen vaststaand object dat eenmalig in kaart te brengen valt, maar voortdurend in beweging: van worden naar zijn en van zijn weer naar worden. Wat vandaag overtuiging is, is morgen misschien twijfel en wat nu een vaste waarde lijkt, is over jaren een afgelegde gewoonte. Wie zichzelf zo voorstelt, ziet dat de wens om eens en voorgoed heel te zijn een fictie is. Niet eenheid in de of-of-zin is het einddoel, maar een levenslange, telkens herziene afronding op iets dat zelf blijft bewegen, een en-en dat zich iedere dag opnieuw moet integreren.
Dat is meteen waarom de waakpost niet alleen vermoeiend is, maar ook vergeefs: hij probeert grip te krijgen op iets dat zich principieel niet laat vastzetten. De getuige hoeft die grip niet te hebben. Hij hoeft alleen waar te nemen wat zich op dit moment aandient, alleen of met een ander, zonder te eisen dat het blijft staan.
Daarmee wordt de boodschap van dit essay misschien het scherpst geformuleerd: wees je bewust van wat er in jezelf omgaat, herken de rol die angst daarin speelt, maar vervang de getuige in jezelf en waar mogelijk de getuige tussen jou en een ander, niet door een waakpost. Het nastreven van integriteit is een schone zaak, zolang het maar niet wordt gemotiveerd door de angst om te falen. Niet omdat angst de inspanning zou verzwakken, maar omdat angst altijd naar of-of neigt, terwijl een mens en een verbinding tussen twee mensen, alleen als en-en werkelijk heel kan worden.
.
Meer lezen over wat we nog kunnen verrtrouwen? Vertrouwen voorbij het bewijs.