Het zelf dat niet gevonden wordt
Vrijheid, verantwoordelijkheid en zoeken dat geen zekerheid vindt
Wie op zoek gaat naar zichzelf, vindt uiteindelijk geen vaste kern. Er is geen innerlijke commandant die eerst een besluit neemt en daarna het lichaam in beweging zet. Je spreekt en soms is het woord er al voordat je bewust weet welk woord je zult kiezen. Je handelt en pas daarna vertelt je hoofd het verhaal: dat heb ik gedaan.
Dat kan klinken als een verlies. Maar misschien is het eerder een correctie. Misschien was er nooit een vast zelf om te verliezen. Er was alleen het voortdurende zoeken ernaar: proberen te begrijpen wie je bent, jezelf bevestigen en jezelf verdedigen. Daarbij trekken we steeds een grens tussen "ik" en "de rest".
Als dat zoeken even stopt, stopt alleen een gewoonte.
Verantwoordelijkheid zonder eigenaar
Dan komt een moeilijke vraag. Als er geen duidelijk aanwijsbaar "ik" is dat alle keuzes maakt, wie is er dan verantwoordelijk voor wat iemand doet?
Het antwoord hoeft niet in het verleden te liggen. We hoeven niet eerst te bewijzen dat iemand op het moment van handelen volledig vrij heeft gekozen.
Verantwoordelijkheid kan iets anders betekenen: bereid zijn om te antwoorden op wat je hebt gedaan. Uitleggen wat er gebeurde. Luisteren naar de gevolgen. En, als dat nodig is, iets anders doen.
Wanneer iemand zegt: "Ik had het ook anders kunnen formuleren", betekent dat niet noodzakelijk dat hij op het vorige moment vrij over verschillende mogelijkheden beschikte. Er waren wel verschillende mogelijke reacties. We weten het wanneer we de ander aanspreken en pas dan wordt duidelijk wat een reactie teweegbrengt. Daarom blijft er ruimte om opnieuw te reageren en iets bij te stellen.
Het zelf ontstaat dan niet eerst en gaat daarna handelen. Het krijgt juist vorm in het antwoorden op wat er gebeurt.
De filosoof Emmanuel Levinas kwam langs een andere weg tot een verwante gedachte. Volgens hem begint verantwoordelijkheid niet bij een ik dat besluit verantwoordelijk te zijn. De ander spreekt mij als het ware al aan. Ik word verantwoordelijk doordat ik antwoord geef.
Dat betekent niet dat we daardoor eindelijk zekerheid krijgen over wie we zijn. Die zekerheid blijft uit. Wel ontstaat er een richting: hoe ga ik om met de ander die op mij reageert?
Bij een ander nemen we trouwens voortdurend aan dat er iemand aanwezig is die kan antwoorden. We spreken iemand aan alsof daar een zelf achter zit. Bij onszelf kunnen we dat zelf nooit helemaal aanwijzen.
Zo verschuift verantwoordelijkheid van een keuze die ergens in het verleden zou hebben plaatsgevonden naar wat er nu gebeurt. Niet: was ik toen werkelijk vrij? Maar: wat doe ik met wat er nu is gebeurd?
Dat is geen vlucht voor verantwoordelijkheid. Het brengt verantwoordelijkheid juist naar de plek waar we er iets mee kunnen doen: het heden.
Bewustzijn als plicht, niet als privilege
Als vrije wil geen goede reden is om de mens boven het dier te plaatsen, valt ook een oud argument weg. De mens zou meer rechten en plichten hebben omdat hij bewust kan kiezen en een dier niet.
Maar daarmee wordt het menselijk bewustzijn niet onbelangrijk. Het krijgt alleen een andere betekenis.
Misschien geeft ons grotere vermogen om na te denken ons geen groter recht, maar een grotere verantwoordelijkheid. Wij kunnen nadenken over ons eigen gedrag. We kunnen ons proberen te verplaatsen in een ander. En we kunnen begrijpen dat een ander kan lijden of naar vrijheid kan verlangen, ook als die ander dat niet in menselijke taal kan zeggen.
Daarom past hier de Gouden Regel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet aan.
Dat betekent niet dat mensen en dieren hetzelfde zijn. Het betekent wel dat verschil niet vanzelf een reden is om de ander minder vrijheid te gunnen.
Het recht op vrijheid hoeft immers niet afhankelijk te zijn van het vermogen om dat recht zelf onder woorden te brengen. Dat is geen wetenschappelijke conclusie. Het is een morele keuze.
Wij kunnen ervoor kiezen om vrijheid alleen te erkennen wanneer iemand er zelf om kan vragen. Maar we kunnen ook erkennen dat een wezen vrijheid kan verliezen, ook wanneer het niet in staat is dat verlies onder woorden te brengen. Voor mij geldt in het verlengde van de Gouden Regel: mens en dier zijn intrinsiek evenwaardig in het recht op vrijheid.
Bewustzijn wordt dan geen bewijs dat de mens meer waard is. Het wordt een middel om te herkennen wat er bij anderen gebeurt en daar rekening mee te houden.
Ons bewustzijn geeft ons dus niet méér recht. Het geeft ons vooral méér verantwoordelijkheid.
Het zoeken zelf als sluier
Er zit nog een andere laag in het zoeken naar een zelf.
Wie steeds probeert te ontdekken wie hij werkelijk is, maakt daarmee ook steeds een onderscheid: dit ben ik en dat is de wereld om mij heen. Het zoeken bevestigt daardoor telkens opnieuw de grens tussen "ik" en "de rest".
Zolang we die grens steeds opnieuw maken, blijft het verschil tussen mij en de wereld vanzelfsprekend lijken. Misschien maakt juist dat het moeilijk om eenheid te ervaren.
Dat betekent niet dat het stoppen met zoeken vanzelf tot een helder inzicht leidt. Het kan juist eerst voelen alsof er niets overblijft.
Als je gewend bent jezelf steeds opnieuw te bevestigen, kan het wegvallen daarvan voelen als een gat. Je weet niet meer zo goed waar je je aan moet vasthouden.
Er kan duisternis ontstaan. Maar wie er goed naar kijkt, kan ook iets anders zien: leegte als het meer van alle mogelijkheden, niet als een gemis maar als een ruimte die nog alle kanten op kan. Het verdwijnen van de zoeker is nog niet hetzelfde als het herkennen van wat er overblijft.
Wanneer die grens tussen "ik" en "de ander" oplost, valt ook het onderscheid weg tussen wat goed is voor mijzelf en wat goed is voor de ander. De (Bhagavad) Gita noemt dit het zien van het zelf in alle wezens en alle wezens in het zelf. Werken aan het welzijn van een ander is dan geen offer, maar evenmin een verdienste: het is zorg zonder scheiding.
Wie die grens iets minder streng bewaakt, hoeft niet geforceerd naar verbinding te zoeken om zich minder eenzaam te voelen. Eenzaamheid wordt vanzelf lichter, naarmate er meer vertrouwen groeit dat de ander niet werkelijk gescheiden is van jezelf. Uit dat vertrouwen ontstaat vanzelf vriendelijkheid, niet als plicht maar als een natuurlijke uitdrukking van evenwaardigheid: de ander is niet minder en niet meer, dan wat er ook in jezelf leeft.
Er kan een aanwijzing nodig zijn. Iemand kan je erop wijzen dat het wegvallen van die grens niet alleen leegte hoeft te betekenen. Dat er ook iets anders zichtbaar kan worden wanneer het grijpen naar een vast "ik" even ophoudt.
Zonder zo'n aanwijzing kun je je verloren voelen waar je misschien juist vrijer zou kunnen worden.
Geen oplossing, een andere houding
Dit alles geeft geen eenvoudige regel voor wat je in iedere situatie moet doen. We moeten nog steeds onderscheid maken tussen wat goed en slecht is, tussen helpen en schaden, tussen verantwoordelijkheid nemen en verantwoordelijkheid ontlopen.
Wat verandert, is vooral de houding waarmee we handelen.
Wie zichzelf niet langer ziet als een volledig vrije bestuurder die zijn eigen daden bezit, hoeft zichzelf ook niet voortdurend te verdedigen. Een fout blijft een fout. De gevolgen blijven bestaan. En de verantwoordelijkheid om ermee om te gaan blijft bestaan.
Maar misschien valt er iets extra's weg: de angst om te moeten bewijzen dat je een goed of slecht mens bent. De angst om ontmaskerd te worden als iemand die op een bepaald moment de verkeerde keuze heeft gemaakt.
Wat overblijft is geen bewijs en ook geen zekerheid. Het is geen afgeronde theorie over de mens.
De vraag of de vrije wil bestaat, hoeft misschien zelfs niet te worden opgelost. Ze wordt minder belangrijk wanneer we zien dat verantwoordelijkheid ook zonder een volledig vrije wil mogelijk is.
Ook het zoeken naar een vaste identiteit hoeft dan niet te eindigen met een gevonden antwoord. Misschien is er helemaal geen antwoord dat je voor altijd kunt vasthouden.
Wat overblijft is een uitnodiging om af en toe te kijken wat er gebeurt wanneer het zoeken naar een zelf even stilvalt.
En wanneer een ander datzelfde moment meemaakt en zich daardoor verloren voelt in plaats van vrij, hoeven we hem niet opnieuw op zoek te sturen naar zichzelf. We kunnen hem wijzen op wat er zichtbaar kan worden wanneer dat zoeken even rust: dat de grens tussen "ik" en "de ander" misschien minder vast is dan zij leek.
Misschien wordt daar iets van eenheid zichtbaar.