Het zelf dat niet gevonden wordt
Vrijheid, verantwoordelijkheid en zoeken dat geen zekerheid vindt
Wie op zoek gaat naar zichzelf, vindt uiteindelijk geen vaste kern. Er is geen innerlijke commandant die eerst een besluit neemt en daarna het lichaam in beweging zet. Je spreekt en soms is het woord er al voordat je bewust weet welk woord je zult kiezen. Je handelt en pas daarna vertelt je hoofd het verhaal: dat heb ik gedaan.
Dat kan klinken als een verlies. Maar misschien is het eerder een correctie. Misschien was er nooit een vast zelf om te verliezen. Er was alleen het voortdurende zoeken ernaar: proberen te begrijpen wie je bent, jezelf bevestigen en jezelf verdedigen. Daarbij trekken we steeds een grens tussen "ik" en "de rest".
Zelfs onze taal verraadt dit voortdurend, zonder dat we het merken. We zeggen: "ik moet mezelf overwinnen", "ik ben mezelf kwijt", "ik voel me niet mezelf vandaag", "ik was mezelf niet toen ik dat zei".
In al die uitdrukkingen plaatsen we "ik" tegenover "mezelf", alsof het twee verschillende partijen zijn. Een vast, aanwijsbaar zelf zou je nooit kunnen "kwijtraken" of hoeven "overwinnen". De taal wist het kennelijk al: we spreken over onszelf zoals je over een ander spreekt, met wie je soms overeenkomt en soms niet.
Iets vergelijkbaars is te zien bij de koppigheidsfase van een peuter, ergens rond het tweede levensjaar. Het kind zegt voortdurend "nee" en zet zich af tegen wat de ouder wil, soms zelfs tegen wat het eigenlijk zelf ook wil. Het zelf ontstaat hier niet doordat het kind iets positiefs over zichzelf ontdekt, maar doordat het zich afzet tegen de ander. De grens tussen "ik" en "de rest" wordt dus niet gevonden. Ze wordt voor het eerst geoefend, in verzet.
Verantwoordelijkheid zonder eigenaar
Dan komt een moeilijke vraag. Als er geen duidelijk aanwijsbaar "ik" is dat alle keuzes maakt, wie is er dan verantwoordelijk voor wat iemand doet?
Het antwoord hoeft niet in het verleden te liggen. We hoeven niet eerst te bewijzen dat iemand op het moment van handelen volledig vrij heeft gekozen.
Verantwoordelijkheid kan iets anders betekenen: bereid zijn om te antwoorden op wat je hebt gedaan. Uitleggen wat er gebeurde. Luisteren naar de gevolgen. En, wanneer dat nodig is, iets anders doen.
We nemen van een ander al snel aan dat wat hij zei of deed het enige was wat hij kon zeggen of doen. We zien het resultaat en maken daar een verklaring van. Bij onszelf lijkt het anders. We voelden andere mogelijkheden voorbijkomen en kozen er soms één, misschien juist om spontaan te zijn en ook voor onszelf het gevoel te houden dat die keuze werkelijk uit onszelf kwam. Maar ook dan weten we niet precies waar die keuze vandaan kwam. Als we dat bij onszelf al niet zeker weten, hoe zouden we dan kunnen weten waar het handelen en het verhaal van een ander precies vandaan komen?
Pas wanneer twee mensen elkaar genoeg vertrouwen om naar verduidelijking te vragen en die ook te geven, ontstaat ruimte om zo'n eerste verklaring te corrigeren. Iemand kan dan zeggen: "Ik had het ook anders kunnen formuleren". Dat is niet alleen een bekentenis van een gemiste mogelijkheid. Het is vooral een erkenning dat wat er tussen twee mensen gebeurt niet vastligt in het eerste woord of de eerste daad. Er kan een antwoord komen, en op dat antwoord kan weer een antwoord volgen.
Hier raakt de gedachte aan het werk van de filosoof Emmanuel Levinas. Bij Levinas begint verantwoordelijkheid niet bij een zelfstandig ik dat eerst bestaat en vervolgens besluit verantwoordelijkheid op zich te nemen. Het is juist de ander die mij aanspreekt. Zijn aanwezigheid doet een beroep op mij voordat ik daar bewust voor heb gekozen.
Dat betekent ook dat de ander nooit volledig kan opgaan in het beeld dat ik van hem maak. Ik kan denken dat ik begrijp waarom iemand iets zei of deed, maar ik kan mij vergissen. De ander kan mij tegenspreken en uitleggen wat ik niet had gezien. In die zin blijft de ander mij altijd een stap voor: hij kan mijn beeld van hem veranderen.
Daarom is antwoorden bij Levinas meer dan reageren op een gebeurtenis. In het antwoorden ontstaat ook iets van degene die antwoordt. Ik hoef niet eerst een volledig gevormd zelf te zijn om verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Juist doordat ik antwoord op de ander, krijgt mijn bestaan een richting en krijgt er iets als een zelf vorm.
Dat sluit aan bij de gedachte dat verantwoordelijkheid niet afhankelijk hoeft te zijn van een vrije keuze die ergens in het verleden heeft plaatsgevonden. De vraag is niet alleen: "Heb ik dit uit vrije wil gedaan?" maar ook: "Wat doe ik nu met wat er tussen ons is gebeurd?".
Zo verschuift verantwoordelijkheid van een onbewijsbaar keuzemoment in het verleden naar een voortdurende mogelijkheid in het heden. Dat is geen vlucht voor verantwoordelijkheid. Het brengt verantwoordelijkheid juist naar de plek waar we er iets mee kunnen doen: het heden.
Bewustzijn als plicht, niet als privilege
Als vrije wil geen goede reden is om de mens boven het dier te plaatsen, valt ook een oud argument weg. De mens zou meer rechten en plichten hebben omdat hij bewust kan kiezen en een dier niet.
Maar daarmee wordt het menselijk bewustzijn niet onbelangrijk. Het krijgt alleen een andere betekenis.
Misschien geeft ons grotere vermogen om na te denken ons geen groter recht, maar een grotere verantwoordelijkheid. Wij kunnen nadenken over ons eigen gedrag. We kunnen ons proberen te verplaatsen in een ander. En we kunnen begrijpen dat een ander kan lijden of naar vrijheid kan verlangen, ook als die ander dat niet in menselijke taal kan zeggen.
Daarom past hier de Gouden Regel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet aan.
Dat betekent niet dat mensen en dieren hetzelfde zijn. Het betekent wel dat verschil niet vanzelf een reden is om de ander minder vrijheid te gunnen.
Het recht op vrijheid hoeft immers niet afhankelijk te zijn van het vermogen om dat recht zelf onder woorden te brengen. Dat is geen wetenschappelijke conclusie. Het is een morele keuze.
Wij kunnen ervoor kiezen om vrijheid alleen te erkennen wanneer iemand er zelf om kan vragen. Maar we kunnen ook erkennen dat een wezen vrijheid kan verliezen, ook wanneer het niet in staat is dat verlies onder woorden te brengen. Voor mij geldt in het verlengde van de Gouden Regel: mens en dier zijn intrinsiek evenwaardig in het recht op vrijheid.
Bewustzijn wordt dan geen bewijs dat de mens meer waard is. Het wordt een middel om te herkennen wat er bij anderen gebeurt en daar rekening mee te houden.
Ons bewustzijn geeft ons dus niet méér recht. Het geeft ons vooral méér verantwoordelijkheid.
Het zoeken zelf als sluier
Er zit nog een andere laag in het zoeken naar een zelf.
Wie steeds probeert te ontdekken wie hij werkelijk is, maakt daarmee ook steeds een onderscheid: dit ben ik en dat is de wereld om mij heen. Het zoeken bevestigt daardoor telkens opnieuw de grens tussen "ik" en "de rest".
Zolang we die grens steeds opnieuw maken, blijft het verschil tussen mij en de wereld vanzelfsprekend lijken. Misschien maakt juist dat het moeilijk om eenheid te ervaren.
Dat betekent niet dat het stoppen met zoeken vanzelf tot een helder inzicht leidt. Het kan juist eerst voelen alsof er niets overblijft.
Als je gewend bent jezelf steeds opnieuw te bevestigen, kan het wegvallen daarvan voelen als een gat. Je weet niet meer zo goed waar je je aan moet vasthouden.
Er kan duisternis ontstaan. Maar wie er goed naar kijkt, kan ook iets anders zien: leegte als het meer van alle mogelijkheden, niet als een gemis maar als een ruimte die nog alle kanten op kan. Het verdwijnen van de zoeker is nog niet hetzelfde als het herkennen van wat er overblijft.
De weg van het herkennen is niet per se comfortabel. Wie zich losmaakt van de vanzelfsprekende bevestiging van de groep, wie niet langer meespeelt met wat verwacht wordt, ervaart eerst vaak meer eenzaamheid, niet minder. Het gemak van erbij horen maakt plaats voor de last van eigen verantwoordelijkheid, voordat er iets van een dieper vertrouwen ervaren wordt.
Wanneer die grens tussen "ik" en "de ander" oplost, valt ook het onderscheid weg tussen wat goed is voor mijzelf en wat goed is voor de ander. De (Bhagavad) Gita noemt dit het zien van het zelf in alle wezens en alle wezens in het zelf. Werken aan het welzijn van een ander is dan geen offer, maar evenmin een verdienste: het is zorg zonder scheiding.
Wie die grens iets minder streng bewaakt, hoeft niet geforceerd naar verbinding te zoeken om zich minder eenzaam te voelen. Eenzaamheid wordt vanzelf lichter, naarmate er meer vertrouwen groeit dat de ander niet werkelijk gescheiden is van jezelf. Uit dat vertrouwen ontstaat vanzelf vriendelijkheid, niet als plicht maar als een natuurlijke uitdrukking van evenwaardigheid: de ander is niet minder en niet meer, dan wat er ook in jezelf leeft.
Dat vertrouwen is iets anders dan afhankelijkheid. Soms wil iemand, uit onzekerheid, telkens opnieuw van een partner horen dat hij of zij er wel mag zijn. Dat is geen teken van verbondenheid, maar van een zelf dat zijn bestaansrecht laat afhangen van de bevestiging van de ander. Het zelf ontstaat wel degelijk in het antwoorden van de ander, zoals Levinas liet zien, maar het hoeft niet te blijven steunen op die bevestiging om te mogen bestaan.
Er kan een aanwijzing nodig zijn. Iemand kan je erop wijzen dat het wegvallen van die grens niet alleen leegte hoeft te betekenen. Dat er ook iets anders zichtbaar kan worden wanneer het grijpen naar een vast "ik" even ophoudt.
Zonder zo'n aanwijzing kun je je verloren voelen waar je misschien juist vrijer zou kunnen worden.
Niet elk stoppen is loslaten
Er schuilt een risico in dit alles. Het is niet omdat het zoeken naar een zelf stopt, dat er ook werkelijk iets is opgelost.
De psychiater Carl Jung wees op een ander soort onbewustheid: niet het zoeken zelf, maar alles wat we liever niet onder ogen zien en daarom wegduwen. Boosheid die we onderdrukken. Afgunst die we ontkennen. Angst die we verbergen achter een rol die goed overkomt. Wordt dat nooit bekeken, dan verdwijnt het niet. Het blijft doorwerken, ongezien, en stuurt het handelen alsof het toeval of lot is.
Wat niet gezien wordt, verdwijnt bovendien niet altijd stil. Het kan zich verplaatsen naar de ander, een mechanisme dat Jung projectie noemde: wat we in onszelf niet willen erkennen, menen we soms juist scherp te zien in wie tegenover ons staat, en behandelen we daar ook naar.
Dit gevaar houdt niet op bij het vermijden van de schaduw. Het ego kan zich ook vermommen als het inzicht zelf, door de taal van loslaten en eenheid over te nemen zonder de moeite die eraan voorafgaat. Wie zegt "ik ben mijn ego niet" kan daarmee soms juist het ego voeden: als nieuw bewijs van hoe ver hij al gevorderd is.
Dat betekent dat stoppen met zoeken twee heel verschillende dingen kan zijn. Het kan een moment van rust zijn, waarin de grip op een vast zelfbeeld even wordt losgelaten. Het kan ook een vorm van ontwijking zijn: het gemak van "er is toch geen zelf" gebruiken om niet te hoeven kijken naar wat er ongemakkelijk is.
Het verschil zit niet in het loslaten zelf, maar in wat eraan voorafgaat. Wie nooit heeft gekeken naar wat hij liever niet ziet, lost niet op in eenheid, maar blijft gestuurd worden door precies dat wat onbekeken bleef.
Geen oplossing, een andere houding
Dit alles geeft geen eenvoudige regel voor wat je in iedere situatie moet doen. We moeten nog steeds onderscheid maken tussen wat goed en slecht is, tussen helpen en schaden, tussen verantwoordelijkheid nemen en verantwoordelijkheid ontlopen.
Wat verandert, is vooral de houding waarmee we handelen.
Wie zichzelf niet langer ziet als een volledig vrije bestuurder die zijn eigen daden bezit, hoeft zichzelf ook niet voortdurend te verdedigen. Een fout blijft een fout. De gevolgen blijven bestaan. En de verantwoordelijkheid om ermee om te gaan blijft bestaan.
Maar misschien valt er iets extra's weg: de angst om te moeten bewijzen dat je een goed of slecht mens bent. De angst om ontmaskerd te worden als iemand die op een bepaald moment de verkeerde keuze heeft gemaakt.
Wat overblijft is geen bewijs en ook geen zekerheid. Het is geen afgeronde theorie over de mens.
De vraag of de vrije wil bestaat, hoeft misschien zelfs niet te worden opgelost. Ze wordt minder belangrijk wanneer we zien dat verantwoordelijkheid ook zonder een volledig vrije wil mogelijk is.
Ook het zoeken naar een vaste identiteit hoeft dan niet te eindigen met een gevonden antwoord. Misschien is er helemaal geen antwoord dat je voor altijd kunt vasthouden.
Wat overblijft is een uitnodiging om af en toe te kijken wat er gebeurt wanneer het zoeken naar een zelf even stilvalt.
En wanneer een ander datzelfde moment meemaakt en zich daardoor verloren voelt in plaats van vrij, hoeven we hem niet opnieuw op zoek te sturen naar zichzelf. We kunnen hem wijzen op wat er zichtbaar kan worden wanneer dat zoeken even rust: dat de grens tussen "ik" en "de ander" misschien minder vast is dan zij leek.
Misschien wordt daar iets van eenheid zichtbaar.
Zie ook "De valkuil van zelfbewustzijn", waarin diverse filosofen waarschuwen voor te lang graven naar een Zelf.