Getuige van de angst

Over doodsangst, advaita, de via negativa en Spinoza als stappen, geen sprongen

De angst zelf

Margot BrouwerEen vrouw vertelt me dat ze als kind al bang was voor de dood. Niet de gewone angst voor pijn of afscheid, maar iets fundamentelers: het besef dat er een moment zou komen waarop zij er niet meer zou zijn. Ze is niet de eerste die dit vertelt en ze zal de laatste niet zijn. De sterrenkundige Margot Brouwer beschrijft in haar boek Sterrenstof zijn wij hetzelfde: als driejarige al krijsend op de rand van haar bed, overvallen door de vraag wat er is na het niets.
Wat mij opvalt is niet de angst zelf. Angst voor de dood is misschien wel de meest gedeelde menselijke ervaring die er is. Wat mij opvalt is wat je ermee doet als iemand hem met je deelt.
Er is trouwens een tweede angst die er vaak onopgemerkt naast leeft en die net zo zwaar kan wegen: niet de angst voor het einde zelf, maar de angst dat je nooit ten volle geleefd hebt voordat het komt. Ik ken iemand bij wie ik die angst herken, ook al noemt hij hem zelf niet zo. Beide angsten lijken tegengesteld -de een gaat over te veel toekomst die wegvalt, de ander over een verleden dat tekortschoot- maar ze delen dezelfde bron: een zelf dat zich afmeet aan wat het nog moet worden, of had moeten zijn.

 

De sprong die te groot was

Ik vertelde haar over advaita: het inzicht dat we geen twee zijn, dat het zelf dat bang is voor de dood een constructie is en dat er dus, strikt genomen, niemand is om bang voor te zijn. Ze zei dat de sprong te groot was. En ze had gelijk om dat te zeggen.
Advaita vraagt namelijk niet om een nieuw geloof naast het oude. Het vraagt om het loslaten van het fundament zelf waarop een geloof zou kunnen rusten: het zelf. Voor wie stevig een ik ervaart dat bedreigd wordt, is de uitspraak “er is geen ik” geen troost maar een tweede aanval. Eerst was er de dood die dreigde, nu ook nog het zelf dat zogenaamd niet bestaat. Twee ontmantelingen tegelijk vragen is geen wijsheid maar overvraging.

 

Wanneer de sprong wél lukt

Eckharrt TolleToch is de sprong niet voor iedereen te groot, en niet altijd. Eckhart Tolle vertelt over een nacht op zijn negenentwintigste, na jaren van bijna onophoudelijke angst en depressie, waarin de gedachte in hem opkwam: ik kan niet meer met mezelf leven. En daarna, vanzelf, de vraag die erop volgde: wie is die ik die niet met mij kan leven? Als er twee zijn -een ik en een mij- wie van de twee is dan de echte?
Die vraag deed bij hem in één keer wat bij haar in kleine stappen zou moeten gebeuren. Er viel iets weg en wat overbleef was geen antwoord, maar een stilte waarin de vraag zichzelf oploste.
Dat Tolle's sprong lukte, maakt haar sprong niet plotseling ook mogelijk. Het laat alleen zien dat de deur niet op slot zit, ook al is hij voor de meesten alleen langs de trap te bereiken en niet in één stap.

 

Afpellen in plaats van springen

Toch is er een weg ernaartoe en die weg heet al eeuwenlang de via negativa. Advaita kent haar eigen versie ervan: neti neti, niet dit, niet dat. Ook daar wordt niet beweerd wát het zelf is, alleen laag voor laag afgepeld wat het niet is, tot er niets meer over is om te ontkennen.
De via negativa zegt niet -zoals in de katafatische theologie-: dit is God, dit is het zelf, dit is de waarheid. Ze zegt: dit is het niet en dit ook niet en ook dit niet -zoals in de apofatische theologie-. Laag voor laag pel je af wat je dacht te weten, niet om uit te komen bij een nieuw antwoord, maar om te ontdekken dat onder de aannames meer ruimte is dan de angst je liet geloven. Het is geen sprong maar een reeks kleine stappen en elke stap vraagt niets anders dan eerlijk erkennen: dit hield ik voor waar en het houdt geen stand.

 

Herplaatsen in plaats van ontkennen

Spinoza deed iets vergelijkbaars, op zijn eigen manier. Hij zei niet dat God niet bestaat. Hij zei dat God niet is wat wij ervan gemaakt hadden: een persoon die oordeelt, ingrijpt, straft en beloont. God is het universum zelf, de ene substantie waarvan alles, ook wijzelf, een modus is. Dat is geen advaita, maar het buigt in dezelfde richting: het zelf wordt niet ontkend, het wordt herplaatst. Niet “ik besta niet”, maar “ik besta en ik ben nooit gescheiden geweest van het geheel waarvan ik dacht dat het mij zou achterlaten”.
Voor iemand met doodsangst is dat een verschil dat er toe doet. Verbondenheid is te dragen. Ontkenning van het zelf, in één keer, meestal niet.

 

Constateren zonder te presteren

Toen ik haar dit vertelde, zei ze: “Ik vind het lastig om erop te vertrouwen”. Ik zei dat dat de juiste constatering was. En ik denk dat nog steeds, met één precisering die me achteraf pas helder werd: het is de juiste houding zolang het een constatering blijft en geen nieuwe prestatie waarop ze zichzelf gaat beoordelen. Vertrouwen is niet iets wat je opbouwt door je best te doen. Het is niet iets wat je bereikt. Het toont zich, als het zich al toont, zodra de weerstand niet meer bevochten wordt, niet omdat de weerstand overwonnen is, maar omdat hij niet meer hoeft te verdwijnen om verder te kunnen.

 

Ten volle leven, zonder opdracht

Diezelfde valkuil ligt op de loer bij “ten volle leven”. Wie bang is nooit ten volle geleefd te hebben, hoort in dat zinnetje al snel een taak: er is een hoeveelheid leven die gehaald moet worden en wie eronder blijft, schiet tekort. Dat maakt van het leven zelf een prestatie, met de dood als deadline en spijt als boetevonnis.
Maar als het zelf geen vaststaand gegeven is dat afgerond moet worden -als er, zoals advaita en Spinoza vanuit hun eigen invalshoek laten zien, geen gescheiden ik is dat aan een maatstaf moet voldoen- dan vervalt ook de maatstaf voor “vol genoeg”. Ten volle leven is dan geen optelsom van ervaringen die je nog moet vergaren, maar een houding: zorgeloos aanwezig zijn bij wat zich nu aandient, zonder dat te wegen tegen wat het had moeten zijn. Niet: heb ik genoeg gedaan. Maar: is er nu iets en ben ik daarbij?
Dat is geen troost achteraf voor wie meent tekortgeschoten te zijn. Het is een uitnodiging om de vraag zelf los te laten, dezelfde uitnodiging die de via negativa en neti neti al deden bij de dood: niet feller zoeken naar het juiste antwoord, maar merken dat de vraag rustte op een aanname die niet hoeft te kloppen.

 

Getuige zijn

Dat is misschien de kern van wat getuige-zijn betekent, in dit soort gesprekken. Niet overtuigen. Niet het juiste antwoord aandragen alsof advaita, of Spinoza, of de via negativa een medicijn is dat je toedient en dat dan werkt. Getuige-zijn is naast iemand staan terwijl ze iets constateert dat lastig is en dat lastige niet wegpraten. De verleiding is groot om, zodra iemand zegt “ik vind het lastig om te vertrouwen”, meteen door te vragen, uit te leggen, te verhelderen, uit een soort ongeduld met haar ongemak, of met je eigen onvermogen om het weg te nemen. Maar soms is het enige juiste antwoord: dat mag lastig blijven. Er hoeft nu niets bijgevoegd.

 

Een naam is geen antwoord

Kort na dit gesprek liet ze weten dat ze op internet een term was tegengekomen: existentiële depressie. Ze had de beschrijving gelezen en herkende zich erin.
Het is een begrijpelijke beweging. Wie iets voelt waarvoor geen woord bestaat, zoekt naar het woord en zodra er een gevonden is, voelt dat als opluchting: eindelijk een naam voor wat namenloos was. Maar een naam doet iets anders dan getuige-zijn. Getuige-zijn laat het lastige lastig. Een naam sluit het af.
Dat is niet omdat de herkenning onwaar zou zijn. Het is omdat een naam vraagt om aanvaard te worden als vaststaand, terwijl de via negativa juist vraagt om nog even niet te weten wat iets is. Neti neti zegt niet: dit is angst, dit is depressie. Ze zegt: dit is het niet en dit ook niet en pas daarna, misschien, blijft er iets over dat om een naam vraagt. Een diagnose die je zelf, op basis van één artikel, aan jezelf toekent, slaat die tussenstappen over. Ze doet in omgekeerde richting wat de sprong naar advaita deed: niet het zelf ontkennen, maar het zelf juist hard vastzetten, nu in een term die je ergens las en die ineens moet verklaren wie je bent.

 

Een label van buitenaf

Iets vergelijkbaars, maar dan van de andere kant, overkwam een man die laat in zijn leven de diagnose autist kreeg. Zijn reactie was niet opluchting maar een verdoemenis: mijn leven als autist was gedoemd om te mislukken. Dit label kwam niet uit eigen zoektocht, maar van buitenaf en toch deed het hetzelfde als een zelfgekozen diagnose doet: het greep terug in de tijd en herschreef alles wat was gebeurd tot bewijs van een vaststaand gegeven. Wat eerst een leven was met vallen en opstaan, werd met terugwerkende kracht een mislukking die eigenlijk altijd al vaststond.
Dat is de kern van wat een naam kan doen, of hij nu zelf gevonden wordt op internet of van een ander wordt gekregen: hij verandert niet alleen hoe je jezelf vanaf nu ziet, maar ook hoe je alles ervoor leest. Neti neti pelt af wat iets niet is, laag voor laag. Een label doet het omgekeerde in één keer: het beweert wat iets wel is en trekt die bewering met terugwerkende kracht over een heel leven heen. Ook hier geldt: de herkenning kan waar zijn zonder dat het verdoemd zijn daarmee waar is.
Getuige-zijn betekent dan ook hier niet meteen bevestigen of ontkennen. Het betekent vragen wat iemand herkent, zonder dat meteen in te lijven bij een woord dat toevallig het eerst werd gevonden of gegeven.

Dat betekent niet dat een naam nooit helpt. Een diagnose kan een deur openen naar de juiste hulp, een verklaring bieden die opluchting geeft, of een taal die eindelijk gehoord wordt. Het gaat er niet om of je een naam zoekt of krijgt, maar om wat die naam vervolgens doet: of hij een vraag opent of sluit, of hij ruimte geeft of een vonnis velt.

 

Geen nu waarin ik dood ben

Wat mij bij Brouwer, bij advaita, bij de via negativa en bij Spinoza uiteindelijk het meest treft, is dat ze alle vier, op hun eigen manier, hetzelfde zeggen: de dood is nooit iets wat je ervaart. De dood is niets wat ooit ervaren wordt, want ervaring bestaat alleen in het nu en in geen enkel nu dat ik ooit zal beleven, ben ik dood. Dat is geen troostende leugen om de angst te sussen. Het is een eenvoudige, feitelijke constatering over wat ervaring is: ze bestaat alleen in het heden en het heden kent geen dood, alleen leven. De angst zit niet in wat er gebeurt, maar in het vooruitgrijpen op een moment dat, wanneer het komt, niet meer ervaren wordt door wie er nu bang voor is.
Dat inzicht hoeft niemand te overtuigen. Het hoeft alleen, af en toe, gehoord te worden door iemand die niet meteen een antwoord geeft.