Het geluk ontvouwen

Over loutering, zelfvertrouwen en de ruimte die ontstaat als je ophoudt jezelf te bedekken

 

Arthur SchopenhauerArthur Schopenhauer (1788–1860) was een van de scherpste analisten van het menselijk lijden. In een tijd waarin de kerk de antwoorden leverde en de industrie de arbeid opslokte, zag hij iets wat zijn tijdgenoten liever niet zagen: geluk is niet de natuurlijke toestand van de mens. Het verlangen zelf is de bron van pijn, een blinde, rusteloze wil die nooit volledig bevredigd kan worden. Krijg je wat je wilt, dan volgt teleurstelling of verveling. De pendule slingert altijd door.

Zijn diagnose was helder. Zijn remedie was het beste wat zijn tijd te bieden had: tijdelijk ontsnappen via kunst, via compassie, via het willen minder willen. Ascese als uitweg. De wil als vijand.

Wij kijken nu op hem terug zoals men over twee eeuwen op ons zal terugkijken: met respect voor wat hij zag en met oog voor wat zijn tijd hem nog niet zichtbaar kon maken. Niet om hem te overtreffen, maar omdat kennis zich ontvouwt zoals alles zich ontvouwt: langzaam, in de tijd, gedragen door wat eraan voorafging.

 

Het verlangen dat zichzelf verlengt

Er schuilt iets veelzeggends in de gelijkenis tussen twee woorden: verlangen en verlengen. Het zijn geen toevallige buren.

De kerk begreep -bewust of niet- dat het menselijk verlangen naar geluk, naar geborgenheid, naar betekenis, nooit volledig door het aardse leven ingelost kon worden. Schopenhauer zou dat later bevestigen. Maar waar hij een filosofisch probleem zag, zag de kerk een pastorale en politieke mogelijkheid: verleng het leven. Til het aardse tekort op naar de eeuwigheid. Wat je hier mist, wacht je daar, mits je de juiste verlangens koestert, de juiste handelingen stelt, je onderwerpt aan de juiste gezagsdragers.

Het was geen cynische samenzwering. Het was een ontmoeting tussen menselijke zwakte en institutionele behoefte die elkaar versterkten. De mens wilde houvast en greep naar het verhaal dat houvast bood. De kerk wilde gezag en vond het publiek in de mens die houvast zocht. Beide waren begrijpelijk. Samen sloegen ze vouwen in de menselijke ziel die generaties lang niet meer gladgestreken werden.

Want een mens wiens geluk verschoven is naar het hiernamaals, wiens bestaansrecht afhankelijk is van hemelse goedkeuring, is beheersbaar. Niet gelukkig, maar beheersbaar. En beheersbaar genoeg om de structuur in stand te houden die hem beheersbaar maakt.

Dat mechanisme is ouder dan de kerk en jonger ook. Het leeft voort in elke cultuur die onzekerheid produceert om haar op te lossen, in consumptie, in status, in schoonheidsnormen die net snel genoeg verschuiven om nooit gehaald te worden. De theologie verandert, de structuur blijft.

 

Kreukels in de kinderlijke wil

Maar er is nog een eerder begin. Nog voor de kerk, nog voor de cultuur, vouwt het leven al iets in ons toe.
Rond het tweede, derde levensjaar ontdekt het kind dat het een afzonderlijk wezen is met een eigen wil. Dat is geen ongehoorzaamheid, dat is de ontvouwing van het zelf in zijn vroegste vorm. En dan stuit die jonge wil op de wereld. Op ouders die zelf vouwen hebben. Op een omgeving die orde nodig heeft. Op regels die soms zinnig zijn en soms gewoon de overdracht zijn van andermans onverwerkte begrenzingen.
Wat er dan gebeurt bepaalt veel. Wordt de wil van het kind erkend én begrensd, dan groeit er zelfvertrouwen: ik mag er zijn en er zijn grenzen. Wordt die wil beschaamd, genegeerd of gestraft, dan vouwt het kind iets weg, niet omdat het dat besluit, maar omdat het moet overleven in de relatie met degenen van wie het afhankelijk is.
Die weggevouwen wil wordt later de stem die fluistert: wie ben jij om iets te willen. Of: jouw oordeel heeft bevestiging nodig. Of: eerst verdienen, dan mogen zijn.
Schopenhauer zag de wil als een blind metafysisch principe. De ontwikkelingspsychologie die na hem kwam -van Bowlby tot Winnicott, van gehechtheidstheorie tot de neurobiologie van vroege ervaringen- laat zien dat die wil een geschiedenis heeft. En dat die geschiedenis begint lang voordat wij er woorden voor hebben.

 

De brief die wacht om gelezen te worden

Wat Schopenhauer niet kon zien -of niet kon zeggen in zijn tijd- is dat er een grond is die aan de pendule voorafgaat. Niet als metafysische constructie, maar als ervaring die mensen kennen en die altijd al gekend hebben: een moment van aanwezigheid zonder verlangen en zonder verveling. Een kind op een slootkant. Een konijn. Een paardenbloem. Niets bijzonders en toch alles.

Dat moment is geen ontsnapping uit de wil. Het is een herinnering aan wat voorafgaat aan de wil.

En hier ligt het verschil tussen ontsnappen en ontvouwen.

Henrik IbsenOnt-vouwen: openvouwen én de vouwen eruit strijken. Een brief die lang gevouwen heeft gelegen gladstrijken, niet om haar te veranderen, maar om haar eindelijk leesbaar te maken. Ibsen liet Peer Gynt laag voor laag een ui pellen op zoek naar zijn kern, tot zijn ontzetting bleef er niets over. Maar een mens is geen ui. Een mens is eerder die brief, gevouwen om beschermd te worden tijdens de reis, maar geschreven om gelezen te worden. Wat gevouwen was lag al in de vouwen besloten.

De belemmerende overtuigingen die wij met ons meedragen zijn geen karakter. Ze zijn geen lot. Ze zijn antwoorden op omstandigheden die allang voorbij zijn, aangeleerd in tijden dat we hoopten grip te krijgen op een wereld die ons overweldigde. Het kind dat leerde dat zijn bestaan voorwaardelijk was. De vrouw die leerde dat haar “er mogen zijn” bevestiging behoeft van buitenaf. De man die zijn diagnose van autisme omzette in een definitief vonnis over zijn leven.

Stuk voor stuk vouwen die ooit bescherming boden en nu de ruimte bezetten waarin geluk zou kunnen landen.

 

Want geluk landt. Het wordt niet veroverd.

Dat is geen passiviteit. Het vereist het actieve werk van ontvouwen: eerlijk kijken naar wat je met je meedraagt en vragen: is dit van mij, of heb ik dit gekregen? Is deze overtuiging een waarheid over wie ik ben, of een litteken van wie ik moest zijn? Maar het eindpunt van dat werk is geen prestatie. Het is een opening.

Wie zich ontvouwt -wie de lagen van aangeleerde onwaardigheid, van gecultiveerde twijfel, van religieus of cultureel opgelegd schuldgevoel heeft gladgestreken- hoeft geluk niet meer af te dwingen. Die heeft het zelfvertrouwen ontwikkeld dat geluk hem kan worden aangereikt. Niet als garantie. Als statistische werkelijkheid. Als iets wat vaker en natuurlijker binnenkomt naarmate de vouwen zijn gladgestreken.

 

Niemand hoeft zichzelf terug te houden

Ook op deze tijd zullen latere generaties terugkijken -op onze aarzelingen, onze blinde vlekken, onze half opgevouwen inzichten- met hetzelfde begrip waarmee wij nu op Schopenhauer terugkijken en op de kerk die deed wat ze kon met wat ze had. Niemand hoeft zichzelf terug te houden omdat het inzicht nog niet af is maar in beweging. Het inzicht was nooit af. Dat is geen tekortkoming, dat is hoe het werkt.

Schopenhauer zaaide iets wat verder kon groeien dan hij zelf kon zien. Zijn werk ontvouwt zich nog, in wat wij er nu mee doen, in hoe wij verder bouwen waar hij stopte. Niet als correctie. Als voortzetting.

En thuiskomst -bij jezelf, bij de grond die er altijd al was- is misschien wel de eerlijkste naam voor wat wij geluk noemen.