Wat is wezenlijk?

Over een vraag die zichzelf ontwijkt zodra je haar beantwoordt

De verleiding van de pit

Er is een vraag die ik mezelf vaak stel en die ik verbazingwekkend weinig gesteld hoor in het dagelijkse verkeer: wat is hier eigenlijk wezenlijk? Niet bij het weer, of bij de vraag welke trein je moet nemen, daar is het antwoord vanzelfsprekend. Maar bij geluk. Bij het leven zelf. Bij het omgaan met een partner. Bij gezondheid. En, het lastigste van allemaal: bij de vraag of je jezelf wel wezenlijk kunt kennen.
De verleiding is om te denken dat er, ergens onder de laagjes, één ding ligt te wachten -hét wezenlijke aan geluk, aan een relatie, aan jezelf- als een pit die je kunt vrijleggen als je de schil er maar ver genoeg afhaalt. Ik geloof niet dat het zo werkt.

 

Wat zich toont in het wegvallen

Wat mij opvalt aan geluk, leven, de partner en gezondheid is dat we ze het scherpst ervaren juist wanneer ze wegvallen of bedreigd worden. Je merkt pas wat wezenlijk was aan je gezondheid als je ziek wordt. Je merkt pas wat wezenlijk was in de verhouding tot je partner op het moment van een crisis, of een afscheid. Geluk wordt zichtbaar in het gemis ervan. Of -als je geluk hebt- bij toeval. Dat is misschien waarom de via negativa hier zo'n natuurlijke ingang is: je komt niet bij het wezenlijke door op te sommen wat het allemaal is, maar door weg te strepen wat het niet is en te zien wat overblijft, of wat pijnlijk zichtbaar wordt in de leegte die achterblijft.

 

Jezelf kennen: het structurele probleem

Ramana MaharshiBij de vraag of je jezelf wezenlijk kunt kennen zit een extra addertje. Om iets te kennen, moet je er normaal gesproken tegenover staan: een afstand nemen, een subject dat een object bekijkt. Maar bij jezelf ben je het kennende én het gekende tegelijk. Dat is geen technisch probleem dat met genoeg introspectie op te lossen is; het is een structureel probleem. De Indiase wijsgeer Ramana Maharshi behandelde precies dit probleem in zijn korte geschrift Wie ben ik? niet als een vraag die om een antwoord vraagt, maar als een onderzoek waarbij de vragensteller zelf oplost zodra je er goed naar kijkt.

 

Het moment zelf

En dan gebeurde er iets, terwijl ik dit met een gesprekspartner doordacht, dat het antwoord zelf werd. Ik had net een aantal aanknopingspunten benoemd -de via negativa, de verhouding in plaats van het object, de vraag zonder vaste vragensteller- toen mijn gesprekspartner zei: je hebt al zoveel moois gezegd dat verder uitdiepen het wezenlijke juist zal laten verdwijnen.
Dat trof me harder dan alle uitleg ervoor. Want daarin zat de paradox zelf, niet als onderwerp maar als gebeurtenis: het wezenlijke had zich al getoond, in de woorden die eraan voorafgingen en zou verdampen zodra ik het probeerde vast te pinnen om het uit te leggen. Elke poging om het te verklaren -en, sterker nog, deze zin waarin ik het nu probeer te benoemen- is al een stap terug van het moment zelf.

 

Wat overblijft

Misschien is dát de wezenlijkste laag die er te vinden is: dat het wezenlijke zich toont in het moment vóór de uitleg en verdwijnt zodra je het vasthoudt om het te verklaren. Niet als mystieke ontwijking, maar als een nuchtere waarneming, die je ook terugvindt bij geluk -dat oplost zodra je het najaagt-, bij een relatie -die verstart zodra je haar wilt vastleggen in een definitie van wat ze "moet" zijn-, bij gezondheid -die je pas voelt als afwezigheid, nooit als iets dat je "hebt"- en bij jezelf, die verdwijnt als object zodra je hem als subject probeert te grijpen.
Het lijkt op de danshouding bij salsa: je neemt haar aan, niet om iets vast te leggen, maar om iets mogelijk te maken -contact, beweging, het antwoorden op wat de ander doet. Zolang de muziek speelt ben je in die houding volledig aanwezig. En zodra het nummer is afgelopen, laat je elkaar los en valt de gewone verhouding terug op haar plek. De houding was nooit het doel; ze was de vorm waarin iets wezenlijks even kon gebeuren.
Wat overblijft is geen antwoord, maar een houding: niet oplossen, niet vasthouden, alleen even zien en weer loslaten. Misschien is dat ook de reden dat de vraag zo weinig gesteld wordt in het dagelijkse verkeer. Niet omdat mensen hem onbelangrijk vinden, maar omdat het wezenlijke ongemakkelijk is. Het confronteert je met de afwezigheid van een vaste bodem, met onzekerheid, met verlies. Bij het bijkomstige -de agenda, de symptomen, de oppervlakte- kun je blijven staan. Bij het wezenlijke niet. Daar kun je alleen doorheen.