Weghalen en zo bevrijden
In onze tijd komt er veel op ons af. Informatie en onzin. Leuke onzin en onzin die bedoeld is om ons te verwarren. Hoe mooi zou het zijn wanneer we naar de wereld konden kijken zonder voortdurend last te hebben van storende gedachten. Wanneer we in alles wat op ons afkomt de relevante patronen en samenhang konden zien, zonder vermoeid te raken van de poging om het allemaal te begrijpen.
Misschien ligt bevrijding daarom niet in het toevoegen van nog meer kennis, maar juist in het weghalen van wat ons belemmert om te zien. Niet de dingen zelf hoeven weg, maar onze neiging om ze als afzonderlijke dingen te zien, ieder met een eigen betekenis en een eigen bestaan.
Niets bestaat volledig op zichzelf
Kijk om je heen. Een boom bestaat niet zonder de aarde waar hij in staat, zonder de regen die valt en zonder de zon die schijnt. Haal die dingen weg en de boom houdt op boom te zijn. Zo is het met alles.
Ook met jou.
Je bestaat niet zonder de lucht die je ademt, zonder de ouders die je hebben voortgebracht en zonder de mensen om je heen die mede bepalen wie je bent. Je lichaam bestaat uit stoffen die ooit deel waren van andere levende wezens en van de aarde. Je gedachten zijn gevormd door wat je hebt meegemaakt en door de mensen en de wereld waarin je bent opgegroeid.
Niets houdt zichzelf overeind. Alles hangt samen met iets anders en dat andere weer met iets anders.
Dat betekent niet noodzakelijk dat alles één ding is. Het betekent iets subtielers: dat niets volledig op zichzelf bestaat.
Mensen houden zich hier al duizenden jaren mee bezig. Het roept een eenvoudige vraag op die moeilijk af te schudden is: als niets zichzelf draagt, wat draagt dan alles samen?
Misschien is juist die vraag al een aanwijzing dat we verkeerd zoeken. Misschien hoeft er geen laatste ding te zijn dat alles draagt. Misschien bestaat de werkelijkheid juist uit relaties, afhankelijkheden en verbanden, zonder dat daarachter nog een zelfstandig fundament verborgen ligt.
De eenheid willen zien
Stel dat je, na lang zoeken, een moment meemaakt waarop alles één lijkt te worden. Geen scheiding meer tussen jou en de wereld, geen ik en geen niet-ik, alleen nog maar... alles, in één.
Mensen die zoiets meemaken, zeggen soms: nu heb ik het gevonden. Dit is het laatste. Hier houdt het zoeken op.
Maar dan blijkt er nog een stap te zijn.
Want zodra je zegt: "Ik heb het Ene gevonden", heb je het alweer in een hokje gestopt. Jouw hokje, met jouw woord erop geplakt. En dat hokje is niet meer het Ene zelf, maar jouw idee ervan.
Zelfs de mooiste en diepste eenheidservaring die een mens kan hebben, kan zo weer een bezit worden. Iets om aan vast te houden, iets waarvan je kunt zeggen: dit heb ik gezien, dit weet ik, dit is de waarheid.
Maar ook dat hoeft niet.
Niet omdat de ervaring niet echt was, maar omdat je haar niet kunt vasthouden. Zodra je probeert haar vast te leggen, maak je van een ervaring opnieuw een ding. En juist dat ding had je zojuist leren loslaten.
Daar zit misschien de paradox van bevrijding: je hoeft niet alleen de afzonderlijke dingen los te laten, maar uiteindelijk ook het idee dat je de eenheid gevonden hebt.
Eerst laat je los dat dingen volledig op zichzelf bestaan. Daarna laat je los dat je de werkelijkheid als geheel kunt bezitten in een gedachte, een ervaring of een woord.
Wat overblijft is geen antwoord waar je aankomt, maar een houding waarin je blijft.
Niet hoeven vasthouden
Die houding vraagt niet om onverschilligheid. Integendeel. Juist wanneer je minder hoeft vast te houden aan je eigen beelden en overtuigingen, ontstaat er ruimte om beter waar te nemen.
Je hoeft niet alles meteen te begrijpen. Je hoeft niet ieder verschijnsel van een oordeel te voorzien. Je hoeft jezelf niet voortdurend te beschermen tegen wat niet in je beeld van de werkelijkheid past.
Er ontstaat ruimte om verbanden te zien zonder ze onmiddellijk dicht te timmeren met een verklaring.
Misschien is dat een vorm van vrijheid: niet dat je eindelijk alles begrijpt, maar dat je steeds minder hoeft vast te houden.
Die manier van waarnemen staat niet los van hoe je je verhoudt tot wat leeft. Wie ziet dat niets op zichzelf bestaat, kan zichzelf ook niet langer als een uitzondering beschouwen, als het ene ding dat wél boven de rest zou uitstijgen.
Daarbij hoort voor mij ook een evenwaardige grondhouding tegenover alles wat leeft. Als niets volledig op zichzelf bestaat, kan ook de mens zichzelf niet werkelijk als een losstaand centrum tegenover de rest van het leven plaatsen. We zijn afhankelijk van dezelfde wereld waarvan we vaak denken dat we erboven staan.
Evenwaardigheid betekent dan niet dat alles hetzelfde is. Een mens is geen boom en een boom is geen vogel. Het betekent dat geen levend wezen vanuit zichzelf een hogere bestaanspositie kan opeisen.
Misschien ontstaat daar een bescheiden vorm van eenheid. Bescheiden, omdat ze zich niet meer hoeft te bewijzen. Ze hoeft niet benoemd te worden als "het Ene" en hoeft geen bezit van het denken te worden.
Ze is er.
En juist doordat we haar niet meer hoeven vast te houden, kunnen we ons eraan toevertrouwen.
Misschien is dat wat bevrijding uiteindelijk betekent: steeds iets weghalen wat tussen ons en de werkelijkheid in staat.