Oordeelloosheid onder vuur
Wie iets wil zeggen over oordeelloosheid voelt onmiddellijk de druk van het sociale oordeel en daarin zit al het hele verhaal.
Het is een paradox die zich niet laat oplossen door slimmer te formuleren of voorzichtiger te zijn. Zodra je uitspreekt dat mensen elkaar evenwaardig zouden kunnen benaderen zonder de ander te meten en te wegen, staat er iemand klaar om te vragen: wie ben jij om dat te zeggen? En die vraag is niet onredelijk. Ze wijst op iets reëels: elke uitspraak over hoe mensen zouden kunnen leven suggereert een positie buiten de strijd, een hogere grond. En hogere grond is precies wat evenwaardigheid zou willen opgeven.
Toch is er een uitweg, niet uit de paradox, maar door haar heen. Want aan de andere kant van die paradox ligt iets dat theologen paradijs noemden, mystici eenheid en kinderen gewoon de wereld: een manier van samenleven waarin de energie die nu opgaat aan meten, wegen en verdedigen, vrijkomt voor wat mensen en samenlevingen werkelijk verder brengt.
Wat een kind nog weet
Een pasgeboren kind oordeelt niet. Niet omdat het deugdzaam is, maar omdat het onderscheid tussen zichzelf en de ander zich nog niet heeft voltrokken. De wereld is één doorlopende ervaring: warm, aanwezig, zonder hiërarchie. Rond het tweede levensjaar begint de ego-fase: het kind ontdekt de eigen wil, leert “nee” zeggen en daarmee ook het onderscheid tussen eigen en vreemd, veilig en gevaarlijk, goed en slecht. Noodzakelijk, zonder die fase geen zelfstandigheid, geen verantwoordelijkheid, geen volwassen leven.
Maar niemand wil worden vergeleken met een kleuter. Niet voor niets zeggen we dat die naïef is. Naïviteit is een vorm van machteloosheid: schattig van buitenaf, kwetsbaar van binnen. Wat we wél willen zijn is onschuldig en dat is iets wezenlijk anders. Onschuld veronderstelt dat je de wereld kent maar er niet door bent aangetast. Het gaat niet om het kind worden, maar om de grond niet te vergeten die het kind nog niet was kwijtgeraakt.
Die grond laat zich niet afdwingen. Ze laat zich hooguit herkennen.
Liefde en vrijheid in de speelkamer
In de ego-fase worstelt het kind zonder het te beseffen met de verhouding tussen liefde en vrijheid. Het ontdekt dat egoïstische vrijheid pijn kan doen bij anderen en moet leren dat verbinding en autonomie niet per definitie elkaars vijand zijn. Dat lukt alleen als ouders iets kunnen wat innerlijk gespannen is: grenzen stellen zonder de liefde in te trekken. De boodschap die een kind in die fase nodig heeft is niet “je mag niet” en ook niet “alles mag”, maar iets veel subtielers: ik houd van jou, maar dit gedrag laat ik niet toe.
Wat het kind daarmee ontdekt is niet alleen de eigen wil, maar ook de imitatie: het "nee" zelf heeft het afgekeken van de wereld om hem heen. Vrijheid en nabootsing beginnen op hetzelfde moment.
Ouders worden in die fase beproefd op manieren waarop samenlevingen vaker worden beproefd wanneer ze worden geconfronteerd met de onverwachte ander: integreren, negeren, onderhandelen of bevechten. De recalcitrante kleuter is als de eerste vreemdeling die een mens leert kennen, onverwacht, onbegrepen, onmiskenbaar aanwezig. En de manier waarop die ontmoeting verloopt legt een patroon vast dat later terugkeert op elk niveau waarop mensen samenleven.
De overwinningsroes
Mensen die lang hebben gestreden om erkenning -om een plek aan tafel, om evenwaardige behandeling, om gehoord te worden- bouwen hun identiteit op rondom die strijd. De strijd is niet alleen een middel, ze wordt een zingevingskader. En wanneer er vooruitgang is geboekt, verdwijnt dat kader niet automatisch. Het zoekt soms een nieuwe vijand, een nieuwe ongelijkheid, een nieuwe reden om nog verder door te gaan. Want zonder strijd valt de identiteit weg.
Dit is de overwinningsroes, niet hebzucht, niet bewuste hypocrisie, maar een roes die overkomt zoals een runners high overkomt: fysiologisch, verslavend, moeilijk te onderscheiden van echte bevlogenheid. Sommige mensen kunnen oprecht blij zijn voor wie iets heeft gewonnen. Anderen zijn stiekem jaloers en hopen dat je alsnog struikelt. Maar de gevaarlijkste variant is degene die niet meer weet dat hij in een roes is, die de strijd en competitie is blijven voeren lang nadat de oorspronkelijke onrechtvaardigheid is overwonnen, omdat stoppen aanvoelt als verraad aan zichzelf.
Dat is waarom progressieve bewegingen die decennialang terecht hebben gestreden voor gelijkheid soms doorschieten in een morele competitie om wie het meest onderdrukt is. De meetlat wordt niet weggegooid na de overwinning, ze wordt omgekeerd. En het is waarom mensen die zich niet meer onderaan de ladder bevinden toch zo heftig reageren op oproepen tot solidariteit: ze voelen, soms vaag maar niet helemaal onterecht, dat ze opnieuw worden ingedeeld. Nu niet als minderwaardig maar als schuldige.
De rechtse nationalist die zijn culturele positie verdedigt en de progressieve activist die zijn morele positie verdedigt zitten in hetzelfde mechanisme. Beide flanken claimen evenwaardigheid voor de eigen groep en ontzeggen haar in de praktijk aan anderen. De vorm verschilt, de structuur is identiek.
Een oud patroon
Dit patroon is niet nieuw en niet exclusief politiek. De hele geschiedenis van bijvoorbeeld Nederland en Amerika is de worsteling met de onverwachte ander: integreren, tijdelijk opvangen, handel drijven of bevechten. De VOC, de gastarbeiders, de immigranten, de asielzoekers: telkens dezelfde spanning tussen openheid en structuur. Het huidige asieldebat illustreert haar in geconcentreerde vorm: vluchtelingen en gelukszoekers zijn niet uiterlijk van elkaar te onderscheiden en wie dat hardop zegt wordt onmiddellijk ingedeeld in het verkeerde kamp. De overwinningsroes van beide flanken duldt geen nuance, want nuance ondermijnt de identiteit die de strijd in stand houdt.
De vroege beweging rond Jezus van Nazareth kende hetzelfde verloop. Wat hij bood was subversief in zijn eenvoud: hij at met tollenaars en prostituees, raakte mensen met huidziekten aan, sprak vrouwen aan in het openbaar: gedrag dat in zijn tijd de sociale en religieuze orde doorkruiste. Niet als programma maar als levenshouding. Wie welkom was bij hem, was niet afhankelijk van afkomst, reinheid of positie.
De institutie die zijn naam droeg reproduceerde binnen enkele generaties precies de uitsluitingsmechanismen die hij had doorkruist. Wie orthodox was en wie ketter, wie priester mocht zijn en wie niet, wiens getuigenis telde en wiens niet, een nieuwe reinheidslogica, maar nu met goddelijke legitimatie. De voormalige buitenstaanders werden bewakers van de nieuwe grens. De bevrijding werd een gevangenis met een ander slot.
De socioloog René Girard noemt dit de mimetische cyclus: de navolger bootst onbewust de structuur na van degene tegen wie hij zich afzette. Niet uit slechtheid maar uit de logica van identiteitsvorming zelf. De voormalige underdog neemt niet alleen het gedrag van zijn bevrijder over maar ook zijn begeerte, inclusief de begeerte naar de positie van degene die hem onderdrukte.
De paradox van de boodschap
Hier ligt het werkelijke probleem voor iedereen die evenwaardigheid niet alleen wil denken maar ook wil uitspreken. Een oproep tot solidariteit heeft dezelfde paradoxale structuur als een oproep tot oordeelloosheid. Beide veronderstellen bij de spreker een positie buiten de strijd. En precies die veronderstelde hogere grond wekt weerstand, de toehoorder voelt onmiddellijk: jij staat boven mij terwijl je zegt dat we gelijk zijn.
Je kunt niet van bovenaf oproepen tot evenwaardigheid. De zenderpositie spreekt de boodschap tegen.
Tenzij je niet oproept maar beschrijft. Niet voorschrijft maar getuigt. Montaigne wist dat al: zijn essays beginnen altijd bij zichzelf, niet bij de lezer. “Zo werkt het bij mij” is een fundamenteel andere uitnodiging dan “zo zou het moeten werken”.
Evenwaardigheid als toestand
Evenwaardigheid is geen politiek programma en geen moreel ideaal dat je kunt nastreven zonder de paradox te activeren die haar ondermijnt. Ze is een toestand, een manier van in de werkelijkheid staan waarbij de meetlat niet wordt aangelegd, niet omdat je haar bewust neerlegt, maar omdat ze je niet meer nodig lijkt.
Die toestand laat zich niet afdwingen, niet institutionaliseren, niet verkopen. Ze laat zich hooguit voorleven en zelfs dat is riskant, want wie haar voorleeft nodigt het oordeel uit van mensen die elke houding lezen als een aanspraak op hogere grond.
Grenzen stellen zonder de liefde in te trekken of te onhouden. De vreemdeling ontvangen zonder de structuur op te geven. De strijd voeren zonder de roes te worden. Dat zijn geen politieke programma’s maar variaties op dezelfde opgave: de opgave waarmee de kleuter begon en die geen mens ooit volledig afrondt.
Het risico van eerlijkheid hierover is niet te vermijden. Het is de prijs van het proberen.
Boekverwijzingen en meer lezen over dit thema
René Girard. Wat vanaf het begin der tijden verborgen was.Jonathan Haidt. Het rechtvaardigheidsgevoel.
Erich Fromm. De angst voor vrijheid.
Hannah Arendt. Totalitarisme.
Alice Miller. Het drama van het begaafde kind.