De rivier en de steen

Over tevergeefs duwen, geduldig stromen en de grond die er al was

De absurde arbeid van Sisyfus

Omslag van 'De mythe van Sisyphus' van Albert CamusEr is een verleiding om weerstand met kracht te lijf te gaan. Iemand duwt niet mee, iets verandert niet en de reflex is: harder duwen, duidelijker uitleggen, een beter argument vinden. Sisyfus is daarvan het oerbeeld. Hij duwt zijn steen de berg op, ze rolt terug, hij begint opnieuw. Camus zag daarin geen tragiek maar bevrijding: Sisyfus hoeft niet te winnen om zinvol bezig te zijn. Het duwen zelf is genoeg.

 

Het water dat meegeeft

Toch is er een ander beeld mogelijk, minder heroïsch en misschien juist daarom bruikbaarder. Een rivier stroomt om een steen heen, neemt de weg van de minste weerstand en toch verandert er iets. Niet door kracht, maar door herhaling zonder intentie. De steen slijt, traag, over jaren, zonder dat de rivier ooit "gewonnen" hoeft te hebben. Ze hoeft de steen niet te verplaatsen om haar werk te doen.

Het verschil tussen duwen en stromen lijkt subtiel, maar is dat niet. Duwen veronderstelt een doel: de steen moet boven komen, de ander moet het inzien, de weerstand moet wijken. Zolang dat doel niet gehaald wordt, is er falen en dus ook uitputting. Stromen veronderstelt niets. De rivier stroomt omdat stromen is wat rivieren doen, niet omdat er ergens een top wacht die genomen moet worden. Wat er onderweg aan weerstand slijt, is een gevolg, geen doel.

 

Slijten in plaats van bouwen

Dit raakt aan iets dat in veel wijsheidstradities via negativa heet: niet toevoegen om iets te bereiken, maar wegnemen wat in de weg staat. Het is een vreemde methode voor wie gewend is aan vooruitgang als optelsom. Er wordt niet gebouwd, er wordt geslepen. En het eigenaardige is dat wegslijten, langdurig volgehouden, soms iets blootlegt wat er al die tijd al was, verborgen onder wat was aangeleerd of opgelegd.

 

Gat of ruimte

Wu weiDat is meteen ook het risico van elke via negativa. Wegslijten kan eindigen in twee heel verschillende toestanden en van buitenaf zijn ze soms moeilijk te onderscheiden. De ene is leegte als gat: er wordt iets weggenomen en er blijft niets over, geen bodem, geen richting, alleen het besef dat de oude vorm niet meer houdt. Dat is nihilisme en het voelt als een tweede verlies bovenop het eerste. De andere is leegte als ruimte: er wordt iets weggenomen en er komt iets tevoorschijn dat onder de vorm zat te wachten. Geen nieuwe constructie, maar een erkenning.

Het verschil tussen die twee zit niet in de methode, hoe zacht ook, maar in wat er onder de weggeslepen laag al aanwezig was. Wie via negativa toepast op een aangeleerd godsbeeld, een overtuiging, of een manier van naar de wereld kijken, kan uitkomen bij een gapend gat of bij een bodem die nooit weg is geweest, alleen bedekt. Dat laatste gebeurt niet omdat het slijpen zo grondig was, maar omdat er iets lag te wachten dat ouder is dan de laag die eraf ging.

 

De bodem van vóór de vorm

Er is een moment in een kinderleven, soms maar één, waarop iemand iets aanraakt zonder er een woord voor te hebben. Geen inzicht dat je opbouwt, geen these die je bewijst, gewoon een ervaring van eenheid met iets doodgewoons, een dier, een plant, een moment stilte, die later, jaren later, blijkt te hebben gefunctioneerd als bodem. Niet als herinnering waar je op terugkijkt, maar als grond waarop je, zonder het te merken, al die tijd stond. Wie zo'n bodem heeft, kan het wegslijten van aangeleerde vormen aan zonder in het gat te vallen. Wie hem niet heeft, of hem niet herkent, loopt een groter risico dat leegte in leegte eindigt.

 

De verleiding om te helpen

Dit heeft ook een praktische kant, buiten het grote thema van geloof of ongeloof. In elk gesprek met iemand die vermoeid is, vastzit, of binair denkt, ligt de verleiding om te duwen. Een kader aan te reiken, een inzicht te delen, iets nuttigs voor te leggen. Vaak is die verleiding een vorm van eigen ongemak: het is oncomfortabel om bij iemands vermoeidheid te blijven zitten zonder er iets van te maken. Duwen voelt dan als hulp, maar is soms vooral een manier om zelf niet stil te hoeven staan bij wat niet op te lossen valt.

Stromen is dan het moeilijkere alternatief. Niet omdat het passiviteit is, maar omdat het vraagt om aanwezig te zijn zonder agenda, zonder de impliciete druk van "dit zou je kunnen zien". Evenwaardig contact begint daar waar de pretentie stopt dat de een iets heeft dat de ander nodig heeft. Wat overblijft is eenvoudiger en lastiger tegelijk: gewoon blijven, gewoon stromen en de erosie, als die er al komt, aan de tijd overlaten in plaats van aan de wil.

 

Wat blijft

Misschien is dat de stille winst van het beeld van de rivier boven dat van Sisyfus. Sisyfus is alleen met zijn steen en zijn vrede moet hij vinden in het duwen zelf, omdat er niets anders is. De rivier is nooit alleen: ze stroomt langs, deelt haar bedding met alles wat ze raakt en verandert zonder te hoeven weten of en wanneer, dat zichtbaar wordt. Wie dat kan verdragen, het niet weten of het iets oplevert, heeft misschien niet de kracht van Sisyfus nodig. Alleen geduld en een bodem om op te stromen.

 

 

Albert Camus beschreef het duwen zelf als bevrijding in De mythe van Sisyphus (1942). Het beeld van water dat uiteindelijk wint van steen, niet door kracht maar door zachtheid en volharding, is een van de oudste motieven uit de Tao Te Ching, met name hoofdstuk 78, waar het zachte en het zwakke worden voorgesteld als uiteindelijk sterker dan het harde en het stugge.

 

 

Er is een reeks over non-dualiteit, verlichting, gewaarzijn en leegte als spirituele themas.

Er is een reeks over vrijheid, liefde, kwaliteit en evenwaardigheid als leidende waarden.

Er is een reeks over balans en evenwicht, niet-doen, wu wei en yin en yang.
Voor verdieping en verder lezen over de concepten en termen uit dit blog, ga naar het overzicht van labels.