De grond van een goed leven
Het boeddhisme beschrijft vier manieren van in het leven staan die samen de kern vormen van wat een mensenleven draagt. Het zijn geen idealen om naar te grijpen of te streven, maar iets dat vanzelf opkomt wanneer we niets hoeven te bewijzen of te verdienen.
Dat niet-grijpen heeft een naam: upekkha. Een innerlijke rust die zich niet laat meeslepen door voorkeur of afkeer, niet de onverschilligheid van iemand die zich afsluit, maar de vrijheid die liefde laat stromen zonder dat ze bezit. Zonder deze bodem worden de andere drie al snel prestaties.
Vanuit die rust kan metta opkomen: het goede gunnen aan anderen, niet als verplichting maar als overloop vanuit innerlijke volheid, niet omdat het moet, maar omdat er genoeg is.
Dan karuna: meebewegen met het lijden van een ander, geraakt worden zonder te verdrinken: betrokken, maar niet versmolten.
En ten slotte mudita: vreugde om de bloei van de ander, zonder vergelijking of verlangen naar wat zij hebben, hun geluk als jouw geluk, zonder dat het jouwe hoeft te zijn.
Samen beschrijven ze niet vier losse begrippen, maar één beweging: een dans waarin balans geen bestemming is maar een terugkerende beweging. Naar binnen, in de rust die niet hoeft te grijpen. Naar buiten, in de manier waarop je het leven tegemoet treedt. Naar elkaar, in het contact met anderen, waar betrokkenheid en onverschilligheid elkaar niet uitsluiten, maar dragen.
.