Vaker je één voelen is minder moeilijk dan je denkt
Eenheid en de vrijheid om los te laten
Er is een ervaring die de meeste mensen kennen en die zich moeilijk laat beschrijven zonder haar meteen te verkleinen. In een wederzijdse verliefdheid wil je op een gegeven moment niets meer dan bij de ander zijn. Niet om iets te bereiken, niet om iets te krijgen, gewoon zijn, in de nabijheid van de ander. Er is dan geen agenda meer, geen behoefte om iemand te worden of ergens naartoe te gaan. Dat gevoel wordt vaak eenheid genoemd en terecht: de gewone afstand tussen twee mensen lijkt er even niet meer te zijn.
Wie ooit verliefd is geweest weet ook dat dit gevoel niet blijft. En dat is maar goed ook. Zonder het loslaten van die versmelting zouden we tot niets komen -hoe mooi ze ook is-, er zou geen werk meer gebeuren, geen andere relatie meer ontstaan, geen leven meer verdergaan dan de ander. Het loslaten van de intensiteit is dus geen verlies, het is vrijheid: de ruimte om weer jezelf te zijn naast de ander, in plaats van in de ander op te gaan. Tot zover niets vreemds: een zekere afstand nemen hoort bij respect, bij volwassen worden en is op zichzelf gezond.
Waar gezonde afstand doorschiet
Het probleem is dat wij, volwassenen, hier vaak in doorschieten. Wat begint als een gezonde afstand -nodig om te kunnen leven- eindigt bij velen als een voortdurende verstoring van de eenheid zelf. Niet alleen de intensiteit van de verliefdheid verdwijnt, ook het onderliggende gevoel van verbondenheid gaat verloren en dat is iets anders. Waar zit dat verschil?
Niet de afstand, maar de ruis
Het antwoord ligt niet in de afstand zelf. Afstand is nodig, gezond, onvermijdelijk. Het ligt in wat zich in die afstand nestelt: ruis. Met ruis bedoel ik het oordeel en de aversie die zich in de omgang met een ander voordoen als feiten over wie die ander is, terwijl het reacties zijn die in onszelf ontstaan. Wanneer iemand ons irriteert, verschijnt bijna gelijktijdig een gedachte die dat gevoel rechtvaardigt: hij is onuitstaanbaar, zij deugt niet. Die gedachte presenteert zich als constatering, als iets wat we over de ander te weten zijn gekomen.
Er bestaat een eenvoudige manier om die gedachte op dat moment te toetsen, in plaats van haar te geloven. Vier vragen (een variant op de vragen van Byron Katie), kort na elkaar.
- Klopt het, dat hij onuitstaanbaar is, of is dit de naam die ik geef aan mijn eigen irritatie?
- Weet ik dit zeker, heb ik enig bewijs dat dit zijn wezenlijke aard is en niet mijn lezing van dit ene moment?
- Wat doet deze gedachte met mij, hoe ga ik met hem om, wat voel ik, zolang ik geloof dat hij onuitstaanbaar is?
- En wat blijft er over van de situatie zelf, als ik deze ene gedachte nu even laat rusten, wat zie ik dan nog aan hem, aan wat er feitelijk gebeurde, zonder het oordeel erbovenop?
Vaak blijkt dat laatste antwoord ontnuchterend kaal: een handeling, een opmerking, iets dat me raakte, zonder de aanvulling dat de ander daarmee als mens veroordeeld is.
Deze vier vragen lossen de irritatie niet op en dat is ook niet de bedoeling. Ze onderbreken alleen de stap waarin het gevoel zich verkleedt en ontpopt als feit. In werkelijkheid komt het gevoel eerst en wordt het “feit” er achteraf bij gezocht om het gevoel te verklaren.
Dat is het spiegelbeeld van wat er in verliefdheid gebeurt. Daar schrijven we een innerlijke ervaring van eenheid toe aan de ander, als was hij de bron ervan: jij geeft me dit gevoel. Bij aversie doen we hetzelfde in omgekeerde richting: een innerlijke reactie wordt toegeschreven aan de ander als eigenschap van zijn karakter. Beide keren wordt iets dat in ons ontstaat, verplaatst naar buiten en daar verankerd als een feit over de ander. Verliefdheid en aversie lijken tegenpolen, maar de “vergissing” erachter is identiek.
Wat de eenheid overstemt, van geval tot geval
Zodra we dat zien, verschuift de vraag. Niet: waar voel ik eenheid en waar niet. Maar: wat overstemt haar, bij wie. Bij de geliefde overstemt er, voor een tijd, niets. Daarom voelt de nabijheid zo vanzelfsprekend. Bij een vreemde overstemt vaak alleen onverschilligheid of afleiding, onze aandacht gaat naar iets anders, niet naar wat er tussen ons zou kunnen zijn. Bij iemand die vijandig overkomt overstemt angst of verontwaardiging en dat is een felle, snelle reactie die zich moeilijk laat wegdenken. Drie situaties, drie soorten ruis, maar geen drie soorten waarheid over de mate van eenheid die er zou zijn. Niet toevallig kent de mettā-beoefening uit het boeddhisme een vaste oefenvolgorde: eerst een geliefde, dan een neutraal iemand, dan een moeilijk persoon, ten slotte iedereen. De volgorde verraadt waar de moeilijkheid werkelijk zit: niet in de eenheid, die blijft constant, maar in de ruis die haar overstemt en die van geval tot geval anders van aard is.
Wat een kind nog niet is kwijtgeraakt
Wie hier aan twijfelt, kan bij kinderen kijken. Een klein kind zit moeiteloos naast een hond, kijkt een vreemde volwassene aan en lacht, zonder de tussenstap die volwassenen bijna automatisch maken: is dit veilig, wat wil deze persoon van mij, hoor ik hier wel bij. Die tussenstap is nu net de zelfbewuste ruis waar we het over hebben en moet nog groeien. Wat je bij een kind ziet is dan ook geen tekort, geen onvolwassen versie van wat later “eenheid” zou worden. Het is eerder de basistoestand van vóór de ruis zich heeft opgebouwd. Volwassen worden is voor een groot deel het proces waarin die basistoestand overdekt raakt door een steeds dikker verhaal van “ik”, met zijn belangen, zijn kwetsbaarheden, zijn verdedigingslinies. Eerlijkheidshalve moet gezegd: kinderen kunnen een directe schrik ook minder goed relativeren dan een volwassene. Ze hebben niet minder aversie, ze hebben minder geconstrueerde zelfverdediging. Twee verschillende dingen.
Afpellen in plaats van aannemen
Als de ruis het probleem is en niet de afstand, hoe bereiken we dan evenwaardigheid? Niet in één directe stap, door onszelf voor te houden dat we de ander voortaan als gelijkwaardig zullen zien. Zo'n voornemen is op zichzelf goedbedoeld, maar het lost weinig op zolang de ruis -het oordeel, de vergelijking- intact blijft: het voornemen komt er dan als een extra laag overheen te liggen, in plaats van dat het die ruis wegneemt.
Evenwaardigheid blijkt eerder het gevolg te zijn van iets anders: het nalaten van oordeel en van competitie. Dat is geen actieve prestatie maar een afpelbeweging, in lijn met een oude gedachte die zich laat samenvatten als via negativa (“de route van het niet-doen”): je bereikt iets niet door het op te bouwen, maar door te stoppen met wat het verbergt.
Oordeel maakt van een innerlijke reactie een feit over de ander. Competitie doet iets vergelijkbaars: de ander wordt een meetlat voor de eigen waarde in plaats van een aanwezigheid op zichzelf. Beide zijn manieren waarop het zelf zichzelf in stand houdt door zich af te zetten tegen of te meten aan een ander. Zonder vrijheid geen liefde en zonder liefde geen vrijheid, luidt een oud motto en vrijheid vraagt ruimte. Die ruimte ontstaat precies waar oordeel en competitie wegvallen: niet omdat de ander dan plotseling volledig gekend wordt, maar omdat hij niet langer hoeft te dienen als bevestiging of tegenstander. Wat je zelf al bent, ontmoet je dan in de ander.
Geen permanente staat, een grotere frequentie
Wat overblijft is geen permanente staat. Wie eenheid wil vasthouden als een onafgebroken ervaring, maakt er een nieuw project van, met een nieuw zelf dat moet presteren. Waar het om gaat is iets bescheidener en tegelijk hoopvoller: een toenemende frequentie. Niet een zware inspanning om erin te blijven, maar het simpele gevolg van minder ruis: hoe minder oordeel en competitie de omgang met een ander vertroebelen, hoe vaker zich eenheid vanzelf toont die er toch al was, onder de ruis, de hele tijd.