Vergeet niet om te zijn
In zelfvergetelheid zetelt het genieten van het leven
We zijn paradoxaal genoeg pas onszelf wanneer we iets doen waarbij we onszelf helemaal kunnen vergeten. Dat doen kan ook laten zijn. In die ervaring verdwijnt het voortdurende commentaar van het ik. Er is geen innerlijke stem meer die zich afvraagt hoe het overkomt, wat het betekent of wat het oplevert. Er is alleen aanwezigheid.
Toch is dat niet het hele verhaal. Want terwijl we onszelf vergeten, kan er tegelijk iets zijn dat dit waarneemt. Er is handelen zonder centrum, maar niet zonder bewustzijn. Dat lijkt een tegenspraak, maar misschien is het eerder een verfijning.
De paradox van zelfvergetelheid
Wanneer iemand volledig opgaat in muziek, in een gesprek of in zorg voor een ander, valt het zelfbewuste middelpunt weg. Er is geen psychologisch ik dat zichzelf bewaakt. En juist dan voelen we ons vaak het meest levend.
Het zelf dat verdwijnt is het zelf dat zichzelf voortdurend bevestigt of verdedigt. Dat zelf leeft in vergelijking, in zelfbeeld, in spanning. Als dat oplost, blijft er geen leegte over, maar ruimte.
Die ruimte ervaren we als echtheid.
Twee lagen van bewustzijn
In die ervaring blijkt er een onderscheid te zijn tussen twee vormen van bewustzijn.
Enerzijds is er het psychologische ik: het zelf dat zichzelf observeert om grip te houden. Wanneer dit observeert, ontstaat spanning. Dan wordt zelfvergetelheid een project. Het ik probeert zichzelf te vergeten. Dat is een subtiele vorm van zelfgerichtheid.
Anderzijds is er een ruimer gewaarzijn. Dat ziet zonder te sturen. Het is niet bezig met zichzelf verbeteren of beschermen. Het is eenvoudig aanwezig.
Wanneer ik mijzelf vergeet en tegelijk opmerk dat dit gebeurt, dan hoeft dat geen terugkeer van het ego te zijn. Het kan ook de vanzelfsprekende helderheid zijn van bewustzijn dat zichzelf kent zonder zichzelf vast te grijpen.
Transparantie in plaats van verdwijnen
Zelfvergetelheid betekent dan niet dat het zelf vernietigd wordt. Het betekent dat het doorzichtig wordt.
Het ik is er nog, maar het is geen zwaartepunt meer. Het hoeft zich niet op de voorgrond te plaatsen. Het hoeft niets te bewijzen. In interactie met een ander ontstaat er dan geen botsing van twee beschermde centra, maar een open ruimte waarin ontmoeting mogelijk wordt.
Willen we de eenheid uit de non-dualiteit belichamen, dan is het niet nodig om onszelf uit te wissen. Het is voldoende om niet tussen onszelf en de ontmoeting te gaan staan.
Eenheid wordt dan geen idee dat we moeten realiseren, maar een houding van openheid.
Vrijheid zonder zelfverlies
De diepste vrijheid ligt misschien niet in het verdwijnen van het zelf, maar in het loslaten van de identificatie ermee.
Wanneer het ik geen kramp meer is, kan het functioneren zonder zichzelf te hoeven bevestigen. Dan kan er liefde zijn zonder bezit, betrokkenheid zonder controle en nabijheid zonder verlies van autonomie.
In die zin zijn we het meest onszelf wanneer we niet met onszelf bezig zijn. En tegelijk kan er een stille helderheid zijn die dit weet.
Geen splitsing. Geen techniek.
Alleen transparante aanwezigheid.
Misschien is dat de eenvoudigste vorm van eenheid:
niet jezelf verliezen,
maar jezelf niet langer vasthouden.