Waarom schept ego-ontwikkeling dualiteit? Van zorgeloze eenheid via afscheiding naar bewuste eenheid
Het paradijsverhaal als metafoor
Een pasgeboren kind maakt aanvankelijk nog nauwelijks onderscheid tussen zichzelf en zijn omgeving. Het leeft in een vanzelfsprekende afhankelijkheid van anderen en hoeft zich niet af te vragen wie het is of waar het ophoudt en de ander begint. Pas geleidelijk ontstaat het besef van een afzonderlijk zelf. Dat is een noodzakelijke stap in de ontwikkeling naar zelfstandigheid, maar daarmee ontstaat ook de ervaring van afgescheidenheid.
Die ontwikkeling kan worden gezien als een moderne metafoor voor het Bijbelse paradijsverhaal. Adam en Eva leven aanvankelijk zorgeloos in een wereld waarin nog geen scherpe scheiding lijkt te bestaan tussen goed en kwaad, tussen gehoorzamen en overtreden. Door van de verboden vrucht te eten, worden zij zich bewust van zichzelf en van hun kwetsbaarheid. Ze ontdekken dat hun gedrag gevolgen heeft en ervaren voor het eerst schaamte, angst en de mogelijkheid van verwijdering.
Het verhaal kan daarmee gelezen worden als een beeld voor de overgang van een vanzelfsprekende eenheid naar een wereld van tegenstellingen. De ontwikkeling van het ego maakt het mogelijk om zelfstandig te handelen en de wereld bewust te onderzoeken, maar brengt tegelijk dualiteit met zich mee: ik en jij, binnen en buiten, goed en kwaad, verlangen en afwijzing, veiligheid en angst.
Het beeld van een straffende God sluit in die lezing aan bij de ervaring van een kind dat op de bescherming van zijn ouders vertrouwt, maar gaandeweg ontdekt dat zijn eigen handelen gevolgen heeft. De angst om de liefde of bescherming van de ander te verliezen, maakt de pas verworven zelfstandigheid dubbelzinnig: vrijheid is aantrekkelijk, maar afgescheidenheid kan ook onzekerheid en eenzaamheid betekenen.
Vanuit dit perspectief krijgt het begrip non-dualiteit een bijzondere betekenis. Het gaat niet om het ontkennen van de zichtbare verschillen tussen mensen, dieren en dingen, maar om het inzicht dat deze verschillen niet noodzakelijk betekenen dat alles werkelijk los van elkaar bestaat. Non-dualiteit verwijst dan naar een dieper bewustzijn waarin de tegenstellingen worden doorzien zonder dat de verscheidenheid hoeft te verdwijnen.
De ontwikkeling van het ego hoeft daarom niet alleen als een val uit het paradijs te worden gezien. Zij kan ook worden opgevat als een noodzakelijke fase op weg naar een andere vorm van eenheid: niet langer de zorgeloze eenheid van vóór het ontstaan van het zelfbewustzijn, maar een bewuste eenheid waarin vrijheid, verbondenheid en liefde met elkaar worden verzoend.
De ontwikkeling van het ego
Bij de ontwikkeling van het eigen ego, zo rond het tweede levensjaar, begint het kind zichzelf steeds duidelijker te onderscheiden van zijn omgeving. Dat wordt door de ouders aangemoedigd, omdat het tekenen van zelfstandigheid zijn. Het kind ontdekt dat het een eigen wil heeft en dat het invloed kan uitoefenen op zijn omgeving. Daarmee ontstaat echter ook het besef dat anderen een eigen wil hebben. Wat eerst vanzelfsprekend beschikbaar leek, kan nu worden geweigerd; wie eerst nabij was, kan afstand nemen. Zelfstandigheid brengt daardoor niet alleen vrijheid, maar ook de mogelijkheid van conflict, gemis en onzekerheid met zich mee.
Juist daarin ontstaat de betekenis van angst. Wie zichzelf als een afzonderlijk individu ervaart, kan zich ook voorstellen iets te verliezen: de liefde van de ander, bescherming, veiligheid of verbondenheid. Mogelijke afwijzing of straf roept angst op en kan de behoefte versterken om erbij te horen en de relatie met de ander veilig te stellen. De vanzelfsprekende en zorgeloze veiligheid van het eerste levensjaar maakt plaats voor een wereld waarin iets op het spel kan staan.
In termen van dualiteit kan deze ontwikkeling worden beschreven als een overgang van vanzelfsprekende verbondenheid naar onderscheid. Voor het ontstaan van een ontwikkeld ego is er nog geen scherp ervaren verschil tussen ik en jij. Met het ontstaan van het zelfbewustzijn verschijnen steeds meer tegenstellingen: ik en jij, goed en slecht, liefde en afwijzing, blijdschap en verdriet, schuld en onschuld, straf en beloning.
Dat betekent niet dat het ego op zichzelf iets verkeerds is. Het vermogen om onderscheid te maken is juist noodzakelijk om zelfstandig te kunnen functioneren. Het probleem ontstaat wanneer het onderscheid wordt ervaren als een absolute scheiding: alsof het afzonderlijke ik werkelijk losstaat van de ander en van het geheel waarvan het deel uitmaakt. Vanuit het perspectief van non-dualiteit is het ego daarom geen vaste entiteit, maar een construct, een activiteit van de mind. Het kan worden doorzien zonder dat het praktische onderscheid tussen mensen en dingen hoeft te verdwijnen.
Van angst naar beheersing
Wanneer een mens zichzelf als afzonderlijk en kwetsbaar ervaart, ligt het voor de hand dat hij probeert zijn omgeving beheersbaar en voorspelbaar te maken. Angst kan daarbij een krachtig middel worden. Wie bang is om liefde, veiligheid, bezit of status te verliezen, is gemakkelijker te beïnvloeden. Dat geldt niet alleen voor het jonge kind, maar ook voor de volwassen mens en voor samenlevingen als geheel.
Het lijkt misschien een naïef wereldbeeld dat alles met elkaar verbonden is, maar het idee van een fundamentele verbondenheid is al eeuwenlang aanwezig in oosterse filosofieën en religieuze tradities. Ook de moderne wetenschap laat zien dat afzonderlijke verschijnselen niet altijd zo onafhankelijk zijn als ons dagelijks bewustzijn doet vermoeden. Dat is echter iets anders dan wetenschappelijk bewijs voor een non-duaal bewustzijn. Het blijft hier vooral een filosofische en spirituele interpretatie van onze ervaring.
Juist daarom is het interessant om te kijken naar de manier waarop angst in de moderne samenleving wordt gebruikt. Religies, ouders, politiek en economische belanghebbenden kunnen allemaal — bewust of onbewust — inspelen op de angst om iets te verliezen of niet goed genoeg te zijn. De angst om niet veilig genoeg te zijn kan een kiezer richting populisme bewegen, terwijl de angst om tekort te schieten of iets te missen een consument kan aanzetten tot kopen.
Zo kan het verlangen naar veiligheid en geluk worden gekoppeld aan bezit, status en consumptie. Materialisme kan daardoor worden geassocieerd met gelukkig worden. Wat begon als een natuurlijke behoefte aan verbondenheid en veiligheid, kan zo uitmonden in een voortdurende poging om het eigen afzonderlijke bestaan te beschermen en te verbeteren.
Onvoorwaardelijke liefde
Tegenover het beeld van een oordelende en straffende God kan het beeld van onvoorwaardelijke liefde worden geplaatst dat door Een cursus in wonderen wordt aangehouden. Jan-Willem van Aalst schrijft daarover in Wonderen of waan: God denkt niet, veroordeelt niet, straft niet. God heeft in het geheel niets met materie van doen. God weet niets van dualisme. God is. "God" is letterlijk synoniem met "onvoorwaardelijke liefde".
Vanuit dit perspectief is het paradijs niet zozeer een plaats waarnaar de mens moet terugkeren, maar een metafoor voor een bewustzijn waarin angst en oordeel niet langer de basis vormen van onze verhouding tot onszelf en de ander. Het "laatste oordeel" wordt volgens Een cursus in wonderen dan ook niet door God uitgesproken, maar door onszelf, zodra we ten langen leste het ego-denksysteem aan de kant schuiven en er dankbaar voor kiezen om tijd, ruimte, waarneming, veroordeling en individueel bewustzijn achter ons te laten.
Dat is onze verantwoordelijkheid: het (apofatisch) ontkennen van de ontkenning van Eenheid met onze Schepper. Dit is de kern van Wapnicks visie op vergeving en thuiskomen.
Wonderen of waan, Jan-Willem van Aalst (bol.com).
Ontwaken in non-duaal bewustzijn
Mieke Berger schrijft: "Alles dat wij kennen, zijn we dus niet zelf. We zijn dus niet ons lichaam en ook niet onze gedachten, zonder welke geen wereld kan ontstaan. We kunnen immers ons lichaam en onze gedachten waarnemen. Wat we dan wel zijn? Dat wat geen tegenstellingen kent en dus geen eigenschappen heeft. Onbeweeglijkheid, die beweging waarneemt. Tijdloosheid, die tijd waarneemt."
Non-dualiteit is (net als de natuur) Eenheid in beweging en in verscheidenheid. We laten ons in slaap sussen met het idee dat dualiteit voorafgaat aan een onbereikbare non-dualiteit. Dat verleidt ons om slechts te focussen op het eigen belang en de belangen van het geheel te negeren. Het zou mooi zijn wanneer we ontwaken in de realiteit van het universele non-duale bewustzijn dat de illusie van dualiteit voortbrengt:
- Dat we realiseren dat alles niet twee is en we vervolgens de ander, mens en dier, vriendelijker behandelen.
- Dat we de schadelijkheid inzien van louter op het eigen belang gericht te zijn, ingefluisterd door het ego.
- Dat we intuïtief herinneren dat wij (en dualiteit) voortkomen uit eenheid.
- Dat we inzien dat alle mensen en dieren intrinsiek evenwaardig zijn in het recht op beleven van vrijheid en liefde.
Er hebben triljoenen levensvormen geleefd, er leven er nu miljarden tegelijk. Dat waarin wordt waargenomen verschilt niet, wel wat en hoe wordt waargenomen. Het maakt een wereld van verschil. Jij en ik zijn dat. "Tat tvam asi". We zijn allemaal vormen van energie.
Van paradijselijk naar hemels
De eenheidservaring is een tijdelijk kijkje in de staat van verlichting of zelfrealisatie. Ervaringen blijven vernieuwen, het inzicht in het evenwaardige geheel van dualiteit en non-dualiteit kan blijvend zijn. Het gaat om de balans tussen betrokken zijn en loslaten, als een eeuwig durende dans in het nu.
Non-dualiteit is het liefdevolle startpunt van waaruit iedereen tijdelijk wil vertrekken om de wereld te verkennen en wat vervolgens uit het oog wordt verloren omdat woorden en gedachten in de weg zitten. En tegelijkertijd kan die verbinding (met de eenheid) niet verloren gaan. Het is de kip en het ei in één.
De (ongeboren) baby wordt geconcipieerd in en tot eenheid. Met het geleidelijk loskoppelen van de eenheid bij het kind door het ontwikkelen van het ego wordt het kind het pad opgeleid dat via vele kronkelige omwegen en liefdesperikelen toch de kortste weg is naar nieuwe eenheid. Dit is niet letterlijk een terugkeer naar de bron van waaruit het startte, maar een verbinding (thuis komen), opnieuw verbinden (Latijn: "religare") op een transcendent, meer rustgevend niveau.
Terwijl de vanzelfsprekende en zorgeloze eenheid van de vroegste jeugd altijd blijft trekken, heeft het leven er belang bij dat we ons zo ontwikkelen dat we meer in harmonie gaan leven met onze omgeving, dat we geen oplossingen willen forceren, dat we een vredige omgeving helpen creëren waarin nieuw leven kan ontstaan en van waaruit het zich verder kan ontwikkelen.
Kortom een (individuele en evolutionaire) ontwikkeling van (meer) vrijheid en liefde. Een ontwikkeling die plaats vindt in het eeuwig durende nu van onbewust paradijselijk naar bewust hemels.