Wie leeft voortdurend in het nu?

Of leven we voor het verleden of de toekomst?

Iedereen kent weleens het gevoel dat het echte leven ergens anders op een ander moment begint. Na de verhuizing. Na het gesprek dat je nog moet voeren. Na de rekening die nog moet worden betaald. Blaise Pascal zag dit al in de zeventiende eeuw en noemde het scherp: we leven zelden, we bereiden ons voor op leven. Het heden doet meestal een beetje pijn, dus duwen we het weg, naar het verleden of naar de toekomst, waar het veiliger lijkt.
Je lijkt gevangen te raken in een paradox: je kunt niet zonder de toekomst, want zonder te plannen, te sparen, je voor te bereiden loop je vast. En je kunt tegelijk nooit ergens anders zijn dan nu, want er is geen ander moment waarin je daadwerkelijk leeft, voelt, denkt of handelt. Beide zijn onontkoombaar waar. De vraag die overblijft is: hoe kun je toegewijd zijn aan iets dat nog niet bestaat, de toekomst, zonder het enige moment te verlaten waarin je ooit werkelijk aanwezig kunt zijn, het heden?

 

Twee manieren om het verkeerd te doen

De gewone reactie op dit inzicht is een van twee dingen. De eerste is: probeer het op te lossen. Kies voor het nu, met wilskracht. Leg de telefoon weg, adem drie keer diep in, wees aanwezig. Dat werkt soms een paar minuten. Maar wie “kiest” voor het nu, maakt er alweer een project van, iets om te bereiken, iets voor straks. En daarmee ben je precies terug in de val die je wilde ontlopen: aanwezigheid als doel voor de toekomst. De poging om in het nu te komen is zelf een vlucht uit het nu.
De tweede reactie is: onrustig worden over het feit dat het niet lukt. Je merkt dat je weer aan het plannen bent in plaats van aan het leven en daar schrik je van. Nu ben je bezig met je eigen afwezigheid, in plaats van er gewoon te zijn. Ook dat is een vorm van wegvluchten, alleen dan met een schuldgevoel erbij.

 

De derde weg

Er bestaat naast vechten en accepteren nog een derde houding. Je moet plannen, sparen, je voorbereiden op wat komt. Dat is geen vergissing, dat is verstandig. En tegelijk kun je alleen nu leven, er is geen ander moment beschikbaar om in te bestaan. Beide zijn waar. De vergissing zit niet in het hebben van die twee, maar in de gewoonte om er een hiërarchie van te maken: te bepalen welke van de twee “eigenlijk” telt en de andere te behandelen als bijzaak of afwijking. Zodra je die vraag laat rusten, verdwijnt ook een groot deel van de onrust, niet omdat het probleem is opgelost, maar omdat de vraag zijn grip verliest.
Alan Watts zei het zo: je kunt niet in harmonie zijn met het leven, want je bént leven. Dat is geen aansporing om iets te doen. Het is een ontkenning van de afstand die de hele vraag “hoe kom ik in het nu” veronderstelt. Er is niemand die van hier naar het nu hoeft te reizen. Wie dat wel probeert, herhaalt precies de beweging die Pascal beschreef: het heden gebruiken als opstap naar iets beters.

 

Niet elke tegenstelling

Niet iedere tegenstelling is deze paradox. Waar het om gaat is de tegenstelling die je uit het nu trekt: het gevoel dat dit moment pas telt zodra iets anders eerst geregeld, verwerkt of bereikt is.
Onderzoek en herken dié tegenstelling en laat haar met rust. Het niet oplossen ervan is zelf de oplossing. Er is geen aparte stap daarna om te controleren of je het goed doet: het herkennen dat het heden weer als wachtruimte wordt behandeld, is zelf al het loslaten ervan. Vertrouw op wat je al kunt: tegelijk doen en laten, plannen en leven, twee dingen die geen van beide hoeven te winnen.

 

Anderen zagen een kant van hetzelfde

Niemand heeft dit in één keer helemaal gezegd. Wat opvalt is dat elke denker een kant belicht van wat het niet is en dat samen, net als bij het gat in de muur, de vorm zichtbaar wordt van iets dat door geen van hen alleen wordt gevat.


Heraclitus zag tegenstellingen niet als iets om weg te werken, maar als de manier waarop een onderliggende eenheid zich toont: boog en lier werken alleen dankzij de spanning tussen tegengestelde krachten, niet ondanks die spanning.
Zhuangzi beschreef het “vasten van het hart”: een toestand waarin tegenstellingen (leven en dood, groot en klein) niet bestreden of opgelost worden, maar hun greep verliezen zodra je stopt met erover te oordelen vanuit een vast standpunt.
Kierkegaard hield vol dat geloof zelf een paradox is en dat de “sprong” geen oplossing daarvan is maar een leven ermee: je blijft in de tegenstelling staan in plaats van haar filosofisch weg te redeneren.
Bohr paste hetzelfde beginsel toe in de natuurkunde met zijn complementariteit: licht is golf en deeltje, niet omdat de ene beschrijving de andere verdringt, maar omdat beide nodig zijn zonder dat er een synthese van komt.
Jung werkte dit psychologisch uit met de transcendente functie: wie de spanning tussen twee tegengestelde posities volhoudt zonder voortijdig te kiezen, krijgt vanzelf een derde die geen compromis is maar een nieuwe verhouding tot beide polen.
Iain McGilchristMcGilchrist beschrijft het neurologisch: de rechterhersenhelft kan tegenstellingen als geheel vasthouden, terwijl de linkerhersenhelft ze wil classificeren en oplossen. Zijn these is dat onze cultuur is doorgeslagen naar dat laatste.


Geen van hen zegt: doe dit. Ze wijzen allemaal naar dezelfde lege plek: laat de tegenstelling met rust en zij houdt vanzelf op een probleem te zijn.

 

Er is een reeks over non-dualiteit, verlichting, gewaarzijn en leegte als spirituele themas.

Er is een reeks over vrijheid, liefde, kwaliteit en evenwaardigheid als leidende waarden.

Er is een reeks over balans en evenwicht, niet-doen, wu wei en yin en yang.
Voor verdieping en verder lezen over de concepten en termen uit dit blog, ga naar het overzicht van labels.