Steeds hetzelfde, nooit gelijk
Over groei, verschil en een wereld die niet af is
Het patroon dat zich herhaalt
Breek een tak van een boom en houd hem rechtop. Je ziet een kleine boom: een stammetje met zijtakken, die zich weer splitsen in nog kleinere takjes. Kijk naar een varenblad en je ziet hetzelfde. Elk blaadje aan de steel is een klein varenblad, met zijn eigen blaadjes. Het patroon van het geheel komt terug in elk deel.
Dat zie je overal in de natuur, in de takken van een boom en de aders in een blad, maar ook in onze longen en bloedvaten. Steeds dezelfde eenvoudige regel: groei, splits en herhaal. Een verwant patroon is de spiraal van een slakkenhuis.
Toch is het nooit precies hetzelfde. Geen tak is een exacte kopie van de boom, geen blaadje gelijk aan het blad waar het aan vastzit. De natuur herhaalt zich voortdurend, maar maakt nooit twee keer hetzelfde. Over dat kleine verschil gaat dit essay.
Wat dood is, groeit niet
Ook de levenloze natuur kent groei. Een kristal groeit, bliksem vertakt zich, vuur verspreidt zich. Maar daar ligt de regel buiten het ding. Bliksem vertakt omdat lading en luchtweerstand dat afdwingen. Een kristal groeit omdat de omgeving oververzadigd is. Een rivierdelta die zich splitst, geeft niets door: elke nieuwe tak ontstaat opnieuw uit dezelfde omstandigheden.
Een levend wezen draagt de regel in zichzelf. Een cel die zich deelt, geeft een kopie mee van het voorschrift waarmee ze zichzelf maakt. Bij het leven is herhaling dus van een andere orde. Het is niet hetzelfde patroon dat telkens opnieuw ontstaat, maar een patroon dat zichzelf overdraagt. De dode natuur herhaalt, het leven herhaalt met geheugen.
De schrijver Robert Pirsig gaf daar woorden aan die ik nog steeds bruikbaar vind. Hij onderscheidde statische en dynamische kwaliteit. Statische kwaliteit bewaart wat er is: de vaste patronen die ervoor zorgen dat een boom een boom blijft en een soort een soort. Dynamische kwaliteit is de bron van verandering, wat Pirsig de kwaliteit van de vrijheid noemde. Zonder het eerste valt alles uiteen, zonder het tweede verstart alles. Het leven heeft beide nodig: herhaling die bewaart en afwijking die vernieuwt.
Telkens weer klein beginnen
Bij geslachtelijke voortplanting wordt dat nog duidelijker. Elke generatie gaat terug door het nauwste punt dat er is: één enkele cel, waarin het hele organisme als het ware is opgevouwen. Zoals in een fractal het geheel besloten ligt in het kleinste deel, ligt in een bevruchte eicel een heel mens.
Je zou kunnen denken dat daarbij de beste combinatie van beide ouders wordt doorgegeven. Zo werkt het niet. Welke helft van het erfelijk materiaal een kind van vader en moeder krijgt, bepaalt grotendeels het toeval. Elk kind is een nieuwe, nooit eerder vertoonde combinatie. Die is niet vanzelf beter dan de ouders. Francis Galton zag in de negentiende eeuw al dat de kinderen van heel lange ouders gemiddeld minder lang zijn dan hun ouders. Wat bij de ouders uitzonderlijk goed samenviel, valt bij de volgende schudbeurt deels weer uiteen. Als oudste van negen kinderen heb ik van dichtbij gezien hoe verschillend kinderen van dezelfde ouders kunnen uitvallen.
Seksualiteit geeft dus niet de optimale combinatie door, maar een nieuwe. Voor het individu is dat een gok, voor de soort is het onmisbaar. Een wereld die verandert, vraagt om variatie. Juist doordat geen kind een exacte kopie is, kan een soort zich aanpassen aan omstandigheden die nog niet bestaan. Het optimaliseren gebeurt niet bij de verwekking, maar daarna, doordat de natuur selecteert.
Ook onder de grond zie je dit. Het wortelstelsel van een boom vertakt fractaal, net als de kruin, maar volgens een eigen regel. Waar de takken naar het licht zoeken, waaieren de wortels breed en ondiep uit, op zoek naar water en houvast. Hetzelfde wezen volgt boven en onder de grond verwante, maar niet identieke patronen. Herhaling met afwijking, ook binnen één boom.
De ensō: getrokken in één streek
In de zentraditie bestaat een beeld dat dit alles samenvat. De ensō is een cirkel die in één penseelstreek wordt getrokken, zonder aarzelen en zonder correctie. Wat er staat, blijft staan. Vaak is de cirkel bewust niet gesloten: er blijft een opening. Elke ensō is anders, ook als dezelfde meester hem duizend keer tekent. Het ideaal is geen volmaakte cirkel, die maakt een passer beter, maar een cirkel waarin het moment en de hand zichtbaar blijven. In het Japanse denken heet dat wabi-sabi: de schoonheid van het onvolkomene.
De wiskundige fractal is de passercirkel. De natuurlijke fractal is de penseelstreek. En zoals de opening in de ensō ruimte laat, laat de onvolmaakte kopie in het leven ruimte voor variatie en daarmee voor toekomst. Een gesloten cirkel is af. Er kan niets meer bij.
G.K. Chesterton speelde in Orthodoxie met een beeld dat hier verrassend goed bij past. Wij nemen meestal aan dat herhaling saai is: de zon die elke ochtend opkomt, de ene madelief die op de andere lijkt. Chesterton draaide het om. Een kind dat iets leuks heeft beleefd, roept “Nog een keer!” en wordt dat niet moe. Misschien, schreef hij, is God zo. Elke ochtend zegt Hij tegen de zon “Doe het nog eens” en elke madelief maakt Hij afzonderlijk. Chesterton wist natuurlijk niet wat er in God omgaat. Dat wist hij zelf ook. Maar zijn fantasie raakt iets wat ik herken: de verwondering zit niet in het uitzonderlijke, maar in het kleine verschil in wat telkens terugkomt. Geen madelief is gelijk aan de andere.
Een schepping die niet af is
Hier dringt zich een oude vraag op. Mensen verwijten God vaak dat Hij het slechte niet meteen heeft weggenomen. Als de schepping van God komt, waarom is ze dan zo onvolmaakt?
Het loont om te kijken wat de Bijbel zelf zegt. Aan het eind van het eerste scheppingsverhaal ziet God dat alles “zeer goed” is. Het Hebreeuwse woord betekent eerder geschikt, zoals bedoeld, dan af en foutloos. En direct daarna krijgt de mens een opdracht: de aarde bebouwen en bewaren. Een volmaakte schepping zou geen bebouwing nodig hebben. Paulus schrijft later dat de hele schepping zucht en in barensnood is. Dat is de taal van iets wat nog geboren moet worden. Zelfs het woord dat in het Nieuwe Testament met “volmaakt” wordt vertaald, het Griekse teleios, betekent eigenlijk volgroeid: tot zijn doel gekomen.
In de christelijke traditie lopen hier twee lijnen. Bij Augustinus was de schepping oorspronkelijk volmaakt en kwam het kwaad door de zondeval. De volmaaktheid ligt dan achter ons en verlossing is herstel. Ouder is de lijn van Irenaeus van Lyon, uit de tweede eeuw. Bij hem zijn mensen geschapen als kinderen, onvolgroeid, en is groei de bedoeling. Teilhard de Chardin, jezuïet en paleontoloog, trok die lijn in de twintigste eeuw door naar de hele evolutie.
Ik voel me thuis in de tweede lijn, met één verschil. De Bijbel ziet uiteindelijk een voltooiing, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Ik zie een beweging die de volmaaktheid nadert, maar haar nooit helemaal bereikt. Wie ouder wordt en blijft leren, wordt vrijer. Niet in één keer, maar in kleine verschuivingen, tot het punt dat je zelfs het leven kunt loslaten. Ook dat is een cirkel die niet sluit.
Lijden als keerzijde van openheid
Blijft de vraag naar het lijden dat niemand iets leert. Een kind dat jong sterft. Het onvoorstelbare dierenleed dat de evolutie heeft gekost. Wie lijden ziet als leerschool, zoals sommige theologen doen, loopt hier vast. Wie leert er iets van?
Ik geloof niet dat die vraag beantwoord hoeft te worden door elk lijden een betekenis te geven. Een wereld die werkelijk vrij en onaf is, brengt ook mislukking voort. Dezelfde celdeling die een organisme laat groeien, kan ontsporen tot een tumor. Dezelfde variatie die aanpassing mogelijk maakt, levert ook zwakke en zieke exemplaren op. De natuurkundige en theoloog John Polkinghorne noemde dit de prijs van een wereld die zichzelf mag maken. Het lijden is geen middel, het is de keerzijde van dezelfde openheid die groei mogelijk maakt.
Dat lost niet alles op. Je kunt blijven vragen of een vrije wereld niet met minder lijden had gekund. Maar het is een eerlijker antwoord dan een les zoeken in het sterven van een kind. De opening in de ensō is wat de cirkel levend maakt. Een opening betekent dat er ook iets kan wegvallen.
Weerspiegeling, geen plan
Betekent dit dat God zich heeft teruggetrokken, zoals een ouder die een kind loslaat? Ik denk het niet. Als ik naar de fractal kijk, zie ik iets anders: het geheel weerspiegelt zich in het deel. Zo zie ik ook God weerspiegeld in elk individu. Dan is God niet vertrokken, maar aanwezig in elke afzonderlijke tak, ook in het kind dat jong sterft.
Daarmee sta ik in een lange traditie. Augustinus schreef dat God hem nader was dan zijn eigen binnenste. Meester Eckhart zei dat het oog waarmee hij God zag hetzelfde oog was waarmee God hem zag. En Etty Hillesum schreef midden in de oorlog dat wij God niet kunnen dwingen ons te helpen, maar dat wij God kunnen helpen door Hem in onszelf te bewaren.
Wie zichzelf probeert te begrijpen, merkt dat dit nooit helemaal lukt. Het oog kan zichzelf niet zien. Als God zich in ons weerspiegelt, ligt het voor de hand dat dezelfde ondoorgrondelijkheid daarin meekomt. God blijft ongrijpbaar. Dat is geen gebrek aan informatie, maar een goddelijke kwaliteit. Wie wil oefenen met spreken over wat zich niet laat vangen, kan het spel over apofatisch denken spelen.
Daarom wil ik niet beweren dat ik weet wat Gods bedoeling is. Ik zie de varen en de boom die tegelijk naar het licht en naar het water groeit. Ik zie kinderen van dezelfde ouders die op elkaar lijken en toch volkomen anders zijn. Ik zie in mijn eigen leven dat ik door telkens iets anders te herhalen een beetje vrijer word. Daarin herken ik iets. Wat ik herken, kan ik niet sluitend benoemen. Misschien hoort dat zo.
Een essay over onvolmaaktheid mag eindigen zoals de ensō: in één beweging getrokken, met een opening.