Zoveel deuren, één kamer

Over taal, stilte en de vele wegen naar hetzelfde niet-gevonden zelf

Toen ik zag hoe vaak dezelfde boodschap terugkeert op mijn eigen site -stop met zoeken naar een zelf, er is niets vast te vinden- was mijn eerste reactie er een van lichte schrik. Herhaal ik mezelf al die tijd, zonder het te merken? Maar bij nader inzien is het geen herhaling. Het zijn verschillende deuren die allemaal op dezelfde kamer uitkomen: taalkunde, ontwikkelingspsychologie, boeddhisme, Advaita, apofatische theologie, Westerse filosofie. Geen van die deuren bewijst iets voor de andere. Maar dat zoveel onafhankelijke wegen op dezelfde plek uitkomen, is zelf al een soort bewijs, niet sluitend, maar overtuigend.

Wat de taal al verraadt

De eerste deur is de taal zelf. Wij zeggen "ik ben mezelf kwijt" of "ik moet mezelf overwinnen", alsof "ik" en "mezelf" twee partijen zijn die met elkaar kunnen botsen. Een echt vast zelf zou je nooit kunnen kwijtraken. De taal wist het kennelijk al, lang voordat de filosofie het uitsprak. Iets vergelijkbaars gebeurt met woorden als "liefde" en "jezelf": taal dwingt ervaringen om te zetten in zelfstandige naamwoorden, alsof het dingen zijn die je kunt vinden of bezitten. Maar "jezelf zijn" is een werkwoord vermomd als een zelfstandig naamwoord, een proces dat zich voordoet als een bezitting. Wie zoekt naar de kern achter dat woord, zoekt naar iets dat grammaticaal bestaat maar niet werkelijk.

Een grens die niet gevonden wordt, maar geoefend

De tweede deur ligt in de ontwikkeling van een kind. Ergens rond het tweede levensjaar begint een peuter zich af te zetten tegen de ouder, soms zelfs tegen wat het zelf ook wil. Het zelf ontstaat daar niet doordat het kind iets positiefs over zichzelf ontdekt, maar doordat het zich afzet tegen de ander. De grens tussen "ik" en "de rest" wordt dus niet ergens gevonden, als een verborgen schat. Ze wordt voor het eerst geoefend, in verzet. Dat betekent dat het zelf van meet af aan een relationeel gebeuren is, geen ontdekking maar een gewoonte die we ons hele leven blijven herhalen.

Wanneer kennen zichzelf in de weg zit

De derde deur is een zuiver structureel probleem. Om iets te kennen, moet je er normaal gesproken tegenover staan: een subject dat een object bekijkt. Maar bij jezelf ben je het kennende én het gekende tegelijk. Dat is geen kwestie van te weinig introspectie die je met meer introspectie kunt oplossen. Het is een structureel probleem, zoals een oog dat zichzelf nooit direct kan zien, alleen in een spiegel en die spiegel is dan weer een beeld, geen oog. Wat wezenlijk is aan jezelf toont zich eerder in het wegvallen -bij ziekte, bij afscheid- dan in de poging het rechtstreeks te vatten.

De oosterse vraag die zichzelf oplost

Boekomslag van Wie ben ik van auteur Ramana MaharshiDe vierde deur is de bekendste: Ramana Maharshi's vraag "Wie ben ik?". Geen vraag die om een antwoord vraagt, maar een onderzoek waarbij de vragensteller zelf oplost zodra je er goed naar kijkt. Volg het gevoel van "ik" rustig, blijf vragen wie die ik eigenlijk is en het wordt steeds stiller, tot er nog wel stilte en bewustzijn overblijft, maar niemand meer die zegt: dit is van mij. Dat is wat de christelijke mystici de via negativa noemden: niet omschrijven wat het zelf is, maar systematisch ontdoen van alles wat het niet is. Merkwaardig genoeg vind je diezelfde structuur terug in een heel andere traditie: in de joodse en soefi-mystiek verbergt God zichzelf juist in de mens, omdat de mens daar het laatst zal zoeken. Oost en West wijzen, via andere talen, naar dezelfde blinde vlek.

Alleen eenheid

Boekomslag van 'Jij bestaat niet' van Roeland de LooffDe vijfde deur trekt de conclusie het hardst door. Roeland de Looff verdedigt, vanuit een apofatische redenering, dat het individuele ik geen zelfstandig handelende entiteit is: er is alleen eenheid en het besef daarvan is het einde van de spirituele zoektocht. Hans Laurentius zegt het van binnenuit: jij bent niet je gedachten, gevoelens of geschiedenis, jij bent het gewaarzijn waarin die verschijnselen komen en gaan. Beiden waarschuwen voor dezelfde valkuil: het is juist de zoeker zelf die de onrust in stand houdt en hoe geraffineerder het inzicht, hoe subtieler het ego zich erin kan verschuilen. Wie zegt "ik ben mijn ego niet" kan daarmee precies dat ego voeden, als nieuw bewijs van hoe ver hij al gevorderd is.

Wanneer zelfreflectie zich tegen zichzelf keert

De zesde deur komt niet uit de mystiek maar uit de Westerse filosofie en is een nuttige correctie op de vorige. Kierkegaard zag zelfbewustzijn als een verhouding van het zelf tot zichzelf die nooit helemaal grip krijgt en daardoor wanhoop oproept. Heidegger waarschuwde dat we onszelf makkelijk verliezen in rollen en reflecties die ons niet dichter bij ons werkelijke bestaan brengen. Hofstadter noemde het zelf een terugkoppelende lus, geen vast iets maar een patroon dat zichzelf waarneemt. En Alan Watts vatte het misschien het scherpst samen: jezelf proberen te definiëren is als proberen je eigen tanden te bijten. Al deze denkers delen één inzicht: zelfbewustzijn is geen zegen zonder meer. Het kan verdiepen, maar ook verlammen en in cirkels laten draaien. Niet het zoeken zelf is het probleem, maar het gebrek aan mildheid waarmee het gebeurt.

De grond van waaruit gezocht wordt

De zevende deur richt zich niet op wat er gezocht wordt, maar op de grond waaruit het zoeken zelf ontstaat. Wie een partner zoekt vanuit een gevoel van tekort, legt de ander de zware last op om dat tekort op te heffen, een last die niemand blijvend kan dragen. Precies dezelfde structuur speelt in het spirituele zoeken: wie verlichting zoekt om van onrust af te zijn, houdt met dat zoeken de onrust juist in stand, want het gezochte is de afwezigheid van precies dat tekortgevoel. Er is nog een laag onder: wat we niet in onszelf durven zien, projecteren we op de ander en wat we vasthouden als "onze identiteit" is vaak niet meer dan de optelsom van andermans verwachtingen. Wie dat doorziet, zoekt niet meer vanuit gemis maar vanuit een soort volheid en wordt daardoor, paradoxaal, juist vindbaar voor wat zich niet laat plannen.

Liefde die geen zelfkennis vraagt

De achtste deur is misschien de meest praktische. "Houd eerst van jezelf, dan kun je van een ander houden" klinkt vanzelfsprekend, maar veronderstelt een "jezelf" dat je volledig kunt kennen, beoordelen en vervolgens liefhebben. De meeste mensen ervaren zichzelf niet zo. Liefde voor jezelf wordt dan geen eindpunt maar een houding: de bereidheid om met jezelf in relatie te blijven, ook wanneer je jezelf niet doorgrondt. Dat geldt voor de liefde die je aan een ander geeft evengoed. Je hoeft de ander niet volledig te kennen om van hem of haar te houden en jezelf al helemaal niet.

Wat overblijft

Acht deuren, één kamer. Wat ze gemeen hebben is niet een leer die je moet aannemen, maar een uitnodiging die je zelf kunt beproeven: kijk wat er gebeurt wanneer het zoeken naar een zelf even stilvalt. Niet om het definitief op te geven -de zesde deur waarschuwt terecht dat "er is toch geen zelf" ook een ontwijking kan zijn van wat ongemakkelijk is om te zien- maar om te merken dat er geen vaste bodem hoeft te zijn om zorgvuldig te kunnen leven. Wat overblijft is geen antwoord en geen theorie. Het is eerder wat er gebeurt wanneer je ophoudt jezelf te bewijzen: er is dan iets minder af te bakenen tussen wat goed is voor jou en wat goed is voor de ander. Niet omdat het verschil verdwijnt, maar omdat het minder verdedigd hoeft te worden. Misschien is dat, uiteindelijk, waarom dezelfde boodschap zich op zoveel plekken op mijn site liet vinden: niet omdat ik hem bleef herhalen, maar omdat elke deur die ik opende, op zijn eigen manier, naar dezelfde ruimte bleek te leiden.