De leegte waarin liefde stroomt
De mogelijkheden in het veld voorzien en afwachten
De mens is als een machine. Niet als verwijt, maar als diagnose. We reageren mechanisch op prikkels, worden heen en weer geslingerd door wisselende impulsen, slapen terwijl we menen wakker te zijn. En vanuit die slaap is echte liefde onmogelijk, wat we voelen is eerder gewoonte, projectie, afhankelijkheid.
Maar hoe worden we wakker?
De meest voor de hand liggende beweging is: het ego aanpakken. We herkennen ons superioriteitsgevoel -die fluisterende overtuiging dat we meer zijn dan een ander- en we hakken de kop eraf. Dagelijks. Met toewijding.
Maar dit is als de draak Hydra. Elke kop die je afhakt keert zesvoudig terug. Want het hakken zelf is ego. Het subject dat zijn eigen arrogantie overwint is nog steeds arrogant, alleen nu op een verfijndere manier, in de gedaante van zelfinzicht en discipline. Het ego dat zichzelf verslaat is het ego op zijn triomfantelijkst.
Het ego is niet de vijand. Het heeft een functie: gedrevenheid. De energie om te bewegen, te zoeken, iets in gang te zetten. Zonder die energie gebeurt er niets. Maar gedrevenheid zonder bescheidenheid brengt alles uit balans: in zichzelf en in de verhoudingen met anderen. Ze dringt door waar ruimte nodig is, vult wat leeg moet blijven, sluit precies af wat zich wil openen. Wanneer gedrevenheid en bescheidenheid elkaar vinden, gebeurt het omgekeerde: de energie zoekt de balans op en herstelt die. Ze schept de voorwaarden voor de leegte. Het ego hoeft niet vernietigd te worden. Het kan beter, telkens opnieuw, begeleid worden.
Er is een andere beweging mogelijk. Niet hakken, maar terugtreden.
Bescheidenheid is geen deugd om te verwerven. Het is ook geen toestand die je bereikt na voldoende innerlijk werk. Het is eerder: de bereidheid om even opzij te stappen. Niet het ego verslaan, maar het ego dat even ophoudt zichzelf te bevestigen. Een adempauze in de onophoudelijke zelfbevestiging.
En in die adempauze verschijnt iets.
Niet iets wat je maakt. Iets wat er al was, onder het geraas. Een leegte, maar niet de leegte van afwezigheid of verlies. De leegte als vrije ruimte. Als het stilvallen van het lawaai waardoor je iets kunt horen wat er altijd al was.
Er is een ritme dat het ego kent, maar alleen voor zichzelf toepast: vervullen en legen, doen en laten. Leren om dat ritme ook in de verhouding met de ander te volgen -daar te legen waar de ander ruimte nodig heeft, te doen waar iets gevraagd wordt- dat kan niet worden voorgeschreven. Het is een timing die alleen geoefend kan worden, nooit opgelegd. Zoals een vinger die naar de maan wijst. Wie naar de vinger kijkt, ziet de maan niet. Maar wie oefent, wie telkens opnieuw die beslissing maakt, schept langzaam de voorwaarden waarin leegte ontstaat. En in die leegte kan liefde stromen, in vrijheid.
Niet: zal. Kan. En dat onderscheid is wezenlijk en open. Want de verwachting dat liefde stromen zal zodra je de ruimte schept, is zelf ego in vermomming. Een subtiele ruilhandel: ik doe mijn deel, nu mag het werken. We scheppen voorwaarden. Meer niet. Of er dan iets beweegt, is niet aan ons.
Wat doe je dan, in het afwachten? Je gaat dansen. Of iets anders wat je lief is. Niet als afleiding, maar als de meest eerlijke houding die er is: aanwezig zijn zonder te wachten op een uitkomst. De ontspanning is zelf de voorwaarde. Het afwachten zonder afwachten.
“Namas-te” is een groet die evenwaardigheid in een paar woorden uitdrukt. Iemand die dagelijks de oefening doet -het ego op zijn plek zetten, niet afhakken maar terugzetten- kijkt de ander aan en zegt: ik zie het licht in mij en ik zie het licht in jou of ik buig voor jou.
Niet: ik voel liefde voor jou. Maar: ik zie. Een waarneming, geen prestatie. Het licht was er al, in haar én in de ander. Ze heeft het niet verdiend en niet gemaakt, ze heeft alleen de troebeling even weggenomen en ziet dan wat er altijd al was.
Ze garandeert niets. Ze groet.
En daarin ligt, misschien, alles.